zondag 17 november 2013

Een bitterzoete vergelding


Er hangt een beklemmende spanning. De doordringende blik van zijn koolzwarte ogen doet een ijzingwekkende rilling over mijn ruggengraat lopen. Toch ben ik meer dan kalm. Voel me oppermachtig met de rubberen greep van de Smith and Wesson strak in de palm van mijn licht zwetende hand en mijn wijsvinger tegen het koude staal van de trekker. Aan zijn misselijkmakende daden kan door mij nu een einde gemaakt worden. Eén beweging is voldoende om hem het zwijgen op te leggen, om te voorkomen dat hij ooit nog een vinger naar haar uit durft te steken, om de wraak te completeren. Hoe heeft het in vredesnaam zover kunnen komen. Wie had vroeger gedacht dat ik nog eens van de vriendelijke, ietwat statige immer correcte dame, veranderen zou in een verbitterd haatdragend kreng dat enkel en alleen maar één ding voor ogen heeft. Wraak nemen op dat monster. Het monster dat haar in de vernieling had geholpen.

Een paar jaar geleden toen mijn dochter de 5-jarige leeftijd had bereikt, was het al begonnen, de kentering. Twee jaar lang was ik er blind voor geweest, had niet voor kunnen stellen dat er zoiets gruwelijks onder mijn dak zou kunnen gebeuren. Bij anderen misschien, niet bij mij, niet in mijn perfecte bestaan.
Mijn leven verliep wel goed, vond ik, ik had het niet slecht getroffen, alles verliep volgens vooropgezet plan. Een onbezorgde jeugd lag ten grondslag aan een succesvol leven. Ik had echt alles wat mijn hartje maar begeren kon. Mijn beide ouders waren nog in leven, gaven mij een strakke doch liefdevolle opvoeding waar ik veel baat bij gehad heb. Zo heb ik als tiener genoten van voldoende vrijheid en geleerd hoe ik mij moest gedragen om in hogere kringen niet al te gek voor de dag te komen. Mijn studie sloot goed aan op mijn mogelijkheden, ik werd stimulerend gepusht om hem met goede resultaten af te ronden. Tot mijn tweeëntwintigste levensjaar woonde ik in mijn ouderlijk huis en ging vervolgens vier jaar op kamers. Tijdens die periode heb ik mijn man leren kennen. Zo'n fantastische goede partij, beter kon ik het niet treffen. Dik donker krullend haar en ogen, daar was ik helemaal verliefd op geworden. Zijn ogen kleurden mee naar zijn stemming, van liefdevol zacht bruin naar gepassioneerd donker tegen het zwart aan. Hij was naast zijn aantrekkelijke verschijning, zeer onderhoudend, altijd even charmant en attent. Het was een sportieve man , romantisch op zijn tijd, had humor en bulkte ook nog eens van het geld. Ik leefde een tijdlang in een soort roes. Ik werd overladen met kleine en grote attenties, kreeg met regelmaat een enorme bos bloemen, werd overspoeld met sieraden. Hij nam me mee uit eten, zorgde altijd voor intieme hoekjes in de duurste chicste restaurants. Niet zelden kwam ik terecht in een privé lounge, waar op het midden van de tafel, bedekt met een damasten tafelkleed, een zilveren kandelaar stond, met een naar honing geurende kaars en standaard altijd een vaasje met één roos erin. Vaak met op de achtergrond een muzikale omlijsting, pianomuziek of romantische klanken van de snaren van een harp, soms kwam er een violist speciaal voor mij een ‘serenade’ brengen. Ik voelde mij dan ook vereerd toen hij me op een midzomernacht, onder een rijk bezaaide heldere sterrenhemel ten huwelijk vroeg. We betrokken een riante villa in een keurig nette buurt omringd met woningen van beroemdheden, hoge heren, filmsterren en tv persoonlijkheden, stuk voor stuk acterend alsof ze allemaal blauw bloed hadden en van adel waren. Ik voelde mij er zo geweldig op mijn plaats, als een vis in water, een zeemeermin in een koninklijk fonteintje. Dit was het leven waar ik vroeger van gedroomd had. Een sprookje, wat later een illusie bleek te zijn.

Toen we een dochtertje kregen begon een heel ander leven. Alle aandacht en daarbij behorende presentjes kwamen helemaal ten goede aan de kleine Rosalie, hij beschouwde haar als zijn prinsesje. Ik vond het prima, kreeg meer dan voldoende geld van hem om aan mezelf te besteden, had mijn eigen leven in de ‘society’ kringen, dus klaagde niet. Maar had ook niet in de gaten dat er meer meespeelde, veel meer. Ons dochtertje groeide uit tot een mooi meisje, een vrolijk en uitbundig kind, met een open karakter, verwend tot en met. Die verwendheid dreigde om te slaan naar bijna onuitstaanbare verwaandheid . Het vrolijke opgeruimde karakter wat Rosalie als peuter en kleuter had gehad maakte plaats voor chagrijn. Het kwam meer dan eens voor dat ze mij plots een grote mond gaf en om het minste of geringste gewoon zat te mokken en nukkig te doen. Al op haar zevende levensjaar leek ze wel een puber , overal trapte ze tegenaan en niets was goed genoeg in haar ogen. Ze ontpopte zich als een ontevreden krengetje, dat altijd haar zin moest en zou hebben. We verwijderden steeds verder van elkaar, mijn dochter en ik. Hoe ik mezelf er ook om haatte, ik kon het gevoel van afkeer van mijn eigen dochtertje maar moeizaam tegenhouden. Had ik toen maar beter opgelet. Was ik toen maar niet zo blind geweest voor de subtiele signalen die ik kreeg. Had ik toen maar begrepen dat de verandering in haar, niet enkel en alleen kwam door verwennerij. Rosalie was door meer dingen verpest, veel ergere indringender zaken vergiftigd. Wanneer ik mijn aversie voor haar had weten om te zetten in begrip en aandacht, echte warme aandacht, liefdevolle aandacht, had ik het misschien kunnen voorkomen. Wanneer ik niet zoveel met mezelf en met mijn geliefde hooggeplaatste sociale relaties bezig was geweest, niet mijn eigen prestigieuze status voor het belang van mijn kind had gesteld, was het misschien nooit zover gekomen.

Gedane zaken nemen geen keer. Berouw komt altijd na de zonde. Clichés die helaas maar al te waar zijn. Ik voel nog mijn maag omkeren en mijn ziel ineenkrimpen, toen ik nietsvermoedend thuiskwam van de zoveelste glamour teaparty en Rosalie in tranen onder de blauwe plekken aantrof op haar kamertje. Snikkend zocht ze troost bij mij, me nota bene smekend haar te vergeven. Vol afgrijzen hoorde ik wat er de afgelopen jaren onder mijn eigen dak, met mijn eigen vlees en bloed, met haar, mijn tere ‘verwende’ dochtertje voor gruwelijkheden gebeurd waren. Hoe zij hier eigenhandig een eind aan had geprobeerd te maken, door bij de zoveelste misselijkmakende seksuele handeling zichzelf te verzetten.
“"Hou jij nog wel van mij mama? Papa niet meer, dat heeft hij zelf gezegd."
“ Mijn moederhart verscheurde, ze had zowaar spijt van haar verweer. De zichtbare bloeduitstortingen vielen in het niet bij wat mijn man haar verder voor inwendige littekens bezorgd had. Ongetwijfeld letterlijke beschadigingen binnen haar lichaam, maar ook haar ziel had onherstelbaar diepe littekens opgelopen. Ik keek naar het beschadigde lichaampje van het mooie fragiele meisje. Hoe lang was dit al gaande? Hoe weerzinwekkend was het al op 7-jarige leeftijd de zo pure maagdelijkheid te verliezen.. Ik voelde een kwaadheid in mij naar boven komen, een onbeschrijfelijke woede opborrelen, een kille haat.
Ik moest iets doen. Hem aangeven? Mijn eigen man aangeven bij de politie? Wat kon ik anders doen? Ik dacht aan de Smith en Wesson, het wapen dat hij ooit voor me had aangeschaft en me zelf had leren te hanteren. Je wist het tenslotte maar nooit, in de huidige maatschappij moest de burger zichzelf kunnen verdedigen. Ik nam me voor het te gebruiken.


We staan daar, tegenover elkaar. Ik ben maar enkele meters van hem verwijderd. In een fractie van een seconde realiseer ik me hoe desperaat ik bezig ben. Het heeft geen zin voor eigen rechter te spelen. Wat zal het me brengen, wat levert het op? Gerechtigheid? Oké, en dan heb ik hem een kogel door zijn kop geschoten, de wraak zal niet zoet zijn en me hooguit slechts kort genoegdoening geven. Aarzelend laat ik mijn hand, met daarin het vastgeklemde pistool zakken. De indringendheid in de donkere ogen verdwijnt. Maar in plaats van het door mij verwachte sprankje hoop, komt er vertwijfeling en angst voor terug. Hij zakt nu door zijn benen, smekend op zijn knieën. Het lijkt een kort moment alsof hij juist wil dat ik de loop weer op hem richt. Ik blijf even staan maar draai me dan om. Ik keer mijn wraak de rug toe. Het zachte, bijna niet hoorbare '‘het spijt me, vergeef me’', komt als een dreunende mokerslag bij mij binnen. Kort twijfel ik, aarzel, maar loop daarna resoluut met ferme stappen de kamer uit. Een gebroken man achterlatend. Het genadeschot zal ik hem niet gunnen, hij zal moet blijven leven met schuld. Gerechtigheid zal zegevieren. Ik heb het keerpunt van de wraak bereikt.


©Dana Martens
Uit de bundel "Het Keerpunt" van uitgeverij LetterRijn

maandag 11 november 2013

De terugkeer

"Veel geluk met uw terugkeer in de maatschappij mevrouw, probeer er het beste van te maken en we hopen u hier in ieder geval nooit meer terug te zien! Blijf op het rechte pad!"
Voor een kort moment denk ik een opwellende traan tevoorschijn zien te komen in zijn ooghoek, hij zal me toch niet missen? Net zoals ik mijn plekje hier zal missen. Tussen de vele oplichters, verkrachters, dieven en andersoortig gespuis voel ik me als een vis in het water. Niet van iedere misdadiger snap ik de intentie, maar in ieder geval veroordelen mijn collegiagevangen me nooit om mijn vreemde gedragingen. Dat moet ik in die maatschappij nog maar afwachten. Ik heb er een zwaar hoofd in.
Wanneer ik nog wat onwennig mijn oorbellen weer tracht in te doen verzeker ik hem dat ik zeker een poging zal wagen om zijn wensen na te leven. Mijn rode pruik, waar ik afstand van heb moeten nemen bij het betreden van mijn cel ligt nog op het bureau van de beste man. Pal naast een gevuld koffiekopje. Het is net alsof het kopje me toeschreeuwt: "Gooi mijn inhoud over je pruik, keer voorgoed dat roodharige monster de rug toe." Met een graai red ik het haarstuk. Klem het even stevig tegen me aan, glimlach tegen de man achter het bureau.
"Die neem ik mee, al is het maar als souvenir!"
"Doe dat maar", mompelt hij en roept de Rammelaar, zoals de insiders de man met de sleutels noemen bij zich. Het voelt raar aan wanneer ik uiteindelijk achter hem aan loop en hij voor de laatste maal met zijn sleutelbos rammelt zoals hij ook altijd 's avonds deed, bij controleren of iedere cel wel goed afgesloten was. Ditmaal gebruikt hij hem om mij de vrijheid te geven.

***

Mijn laatste geld heb ik in dit zaakje gestoken. Mijn nieuwe start. Het leven op de straat heb ik voorgoed de rug toe gekeerd, hoewel ik het af en toe best mis voel ik me veiliger binnen. Buiten zou ik zomaar weer in de verleiding kunnen komen wanneer mannen met dikke portemonnees hun autoraampjes naar beneden zouden draaien en me aan zouden spreken.
Een speciaal ontworpen briefhoofd, een paar advertenties en het uithangbord met daarop de tekst: 'Op het rechte pad', konden er nog net af. Helaas is het geld nu op, ik speel net quitte met mijn speciale seminars. Ze gaan voornamelijk over mijn tijd in de cel, mijn terugkeer in de maatschappij en de noodzaak om op het rechte pad te blijven. Voor wat extraatjes is geen geld meer. Maar het is het meer dan waard, ben tevreden met het leventje wat ik nu leid. Ik zie de straat niet meer, kom voor niets buiten mijn toko. Werken, slapen en eten doe ik hier, boodschappen en andere benodigdheden laat ik me bezorgen.
Af en toe, wanneer ik echt een niet tegen te stoppen behoefte voel, sluit ik de luxaflex, zet mijn souvenir op en laat het roodharige monster in me naar buiten komen. Speciale nietsvermoedend klantjes pik ik met zorg uit. Heb van vroeger nog zoveel contacten, ik bel ze op en maak een afspraak. Wanneer ze eenmaal binnengekomen zijn via mijn achterdeurtje, is er geen ontsnappen meer mogelijk. Letterlijk en figuurlijk kleed ik ze uit, zuig ik ze leeg, tot de laatste druppel uit hun aderen is en aangezien ik me geen sporen kan veroorloven begraaf ik de lijken in mijn kelder.
Zo kan ik er weer even tegen en hou ik me toch aan mijn belofte bij het rechte pad te blijven. Ja, ik ben meer dan tevreden, mijn terugkeer in de maatschappij is geweldig geslaagd.

Novemberuitdaging schrijvelarij