“Dana, leuk je te zien,” een stevige prettige handdruk vergezelt de
stem. Geen zoen, gelukkig maar. Omdat ik de eerste schrijfster ben die
gearriveerd is, krijg ik even de gelegenheid om tot rust te komen. Mijn
collegae zullen later komen. Met een big smile neem ik plaats in de
fauteuil, bestel bij een toesnellende ober een koffie, op zijn vraag of
ik nog een speciale koffie wil, geef ik glimlachend antwoord: “Gewone
koffie graag.” Ik voel me vandaag al speciaal genoeg, denk ik erachter
aan. Ik zou wensen dat ik het hardop durf te zeggen, maar voorlopig hou
ik me maar rustig op de achtergrond en geef beleefd antwoord op de
vragen van Sandra. De koffie smaakt, het luxe koekje laat ik nog even
liggen, het kleine glaasje water wat er naast geserveerd wordt laat ik
staan. Het zou eens een kleurloos likeurtje kunnen zijn, ben zo al
wiebelig genoeg. We praten ontspannen met elkaar. Het is alsof ik met
een kennisje gewoon even aan het theeleuten ben. Weliswaar met koffie en
cappuccino, maar een kniesoor die daarop let.
Na een kleine tien minuten komt een vrouw bij de tafel naast de onze
vragen of die vrouw die daar zit Sandra Di Bortolo van uitgeverij
Fenikso is. Ik al druk zwaaiend naar haar dat ze bij ons moet zijn, maar
klaarblijkelijk spreken we elk een andere gebarentaal. Sandra staat dus
maar op en trekt als het ware de zoekende vrouw naar de juiste tafel.
Het is Lonneke. Logisch, denk ik, ze ziet er ook uit als een Lonneke. Al
vrij snel komt nummer drie ook, Ellen ziet er niet echt als een Ellen
uit. Ik voel me lichtelijk nietig worden naast die twee goedgebekte tantes collegae.
Gaandeweg word ik steeds stiller en luister naar de intelligente vragen
van de andere dames. Sandra vertelt wat over de uitgeverij en het boek,
de publiciteitscampagne van het vorige boek, over hoe het verder gaat,
wat er van ons verwacht wordt, wat over het contract en vraagt ons iets
over onze verhalen aan elkaar te vertellen.
Hier sla ik compleet dicht. En ik bedoel niet omdat “Niemand het mag
weten”, maar ik weet me geen raad hoe en waar ik moet beginnen te
vertellen. Eerst laat ik de andere dames dus ook maar lekker veilig
voorgaan en luister geïnteresseerd naar hun verhalen. Intussen panisch
zoekend naar woorden waarin ik mijn verhaal zal beschrijven. Van de
andere twee verhalen krijg ik niet veel mee. Lonneke praat te zacht om
boven het geroezemoes waar de ruimte mee gevuld is uit te komen. Ellen
en Sandra schijnen hier geen last van te hebben, dus ik doe het ook maar
met die paar woorden die ik wel kan opvangen. Ellen is wat beter te
verstaan, maar niet te volgen voor mij. Teveel prikkels bereiken me van
alle kanten, daar komt nog bij dat ik bedenken moet hoe ik straks mijn
relaas moet doen. Het schaamrood vliegt me naar de kaken, wanneer de
drie hun aandacht op mij vestigen.
“Nou Dana, vertel…,”
“Uh,” begin ik, vrij sterk, : “ Ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.”
Heel rustig neemt Sandra het hier van me over. “Het is inderdaad een
heel lastig verhaal om te gaan vertellen, zal ik een poging wagen?”
“Graag,” verzucht ik. Wat moeten ze wel niet van me denken. Vol vuur
begint Sandra over mijn verhaal te vertellen. Inhoudelijk ga ik hier nu
niet op door, tja, “Niemand mag het weten”
Na nog wat vragen van Lonneke over haar eigen verhaal of ze daar geen
last mee gaat krijgen bij het gebruik van namen voor bepaalde
personages, gaan we de contracten tekenen. Ik zet 10 x een paraaf en één
keer een handtekening op het contract wat voor de uitgever bedoeld is,
en steek mijn eigen pak papier bij me. We drukken handjes met elkaar,
het voelt allemaal heel officieel aan.
Dan komt Sandra met een vraag iets over ons zelf te vertellen, wat we
doen in het dagelijks leven, wat we met ons schrijven doen. Weer laat ik
de andere twee voorgaan. Ditmaal niet omdat ik niet weet hoe het te
vertellen, maar meer om wat ik kwijt wil. Dat is voorlopig nog niet
zoveel. Wanneer ik de beurt krijg vertel ik echter toch iets meer, dan
ik oorspronkelijk van plan was. Wat?
Nou ja, daar kom ik in een vervolg wel op terug
Wordt dus klaarblijkelijk weer vervolgd
donderdag 25 april 2013
zondag 21 april 2013
'Niemand mag het weten' : De eerste stappen zijn gezet
Een paar fikse petsen op mijn wangen zorgen voor de nodige blosjes. Wat
ministompjes op mijn ogen geven net een vleugje blauwgroene schaduw,
net genoeg. Ik bijt mijn lippen rooddoorbloedend. Mascara heb ik niet
nodig. Mijn natuurlijke uitstraling is toereikend. Gelukkig ben ik niet
doorgegaan met de wens van iemand uit mijn verleden. Ooit heb ik nog een
korte opleiding tot model en mannequin gevolgd. Ik leerde hoe ik me zo
elegant mogelijk moest omdraaien en hoe ik een bril af moest nemen om
een intelligente uitstraling te krijgen. Die opleiding werd nogal wreed
onderbroken door tussenkomst van een aantal hersenbloedinkjes en meer
van dat soort ongein. Gelukkig maar.
Het heeft allemaal zo moeten gebeuren en zo moeten zijn zoals het was. Het had een doel, dat weet ik nu zeker. Ik moest ik worden en mijn eigen dromen nastreven in plaats van die van iemand anders. De egoïste is geboren. Nu denk ik nog wel aan anderen maar óók aan mezelf.
Nog een snelle blik in de spiegel en een bemoedigend knikje van die vrouw die mij aan zit te kijken. Ik ben er klaar voor. Vluchtig controleren of ik alles bij me heb. Medicatie, verschoningen, pen en papier, borstel, telefoon, belangrijke nummers, portemonnee, treinkaartje en reisinformatie. Check, bijna alles is er, nog snel even een korte speurtocht naar mijn verstand, ik kan het in de gauwigheid niet vinden en neem dus maar genoegen met dat beetje zelfvertrouwen wat ik echt nodig heb om de rit goed te doorstaan. Manlief levert me keurig af op het station, hij wenst me succes en drukt me op het hart om vooral goed op mezelf te passen. Met een glimlach probeer ik hem gerust te stellen, maar weet dat ik daarin pas zal slagen bij veilige thuiskomst. De lieverd is tot dan nog geladener dan een hoogspanningskabel. Pure liefde. Gelukkig maar.
De treinreis duurt een half uur. Vroeger heb ik veel op ditzelfde traject gereisd. In mijn beleving is dit de eerste keer. De voorbijtrekkende bomen, huizen, wegen, weilanden, rondhobbelende beesten, alles is nieuw voor me. De wagon is nog niet halfvol. De vrouw waar ik tegenover ga zitten kijkt me afkeurend aan. Ze spreekt haar gedachten niet uit, maar haar gezicht vertaalt haar denkwijze voor me: ‘Waarom ga je niet ergens anders zitten? Er is toch plaats zat?’ Ze moest eens weten dat ik dit enkel en alleen doe om niet onzeker over te komen. Ik had me voorgenomen hoe dan ook, een gesprek in de trein aan te knopen. In plaats van mijn voornemen waar te maken bekijk ik de andere mensen en ontwijk hun blikken, net zoals ze de mijne ontwijken. Ik heb genoeg aan mezelf en meer dan genoeg aan mijn eigen gedachten. Gelukkig maar.
Eenmaal op het station aangekomen stap ik wat aarzelend uit. Het station in Zwolle ziet er zo heel anders uit dan in mijn herinnering, ik moet mij voor een kort moment oriënteren waar ik sta en waar ik naar toe moet. Lukraak kies ik de juiste richting, ’t is nog vroeg, nog niet eens kwart voor twee loop ik langs het Hotel Wientjes. Twee uur heb ik daar een afspraak met uitgeefster Sandra en twee van de negen andere schrijfsters van de bundel ‘Niemand mag het weten’. De ingang is hoog, je moet er een trap voor op, met kloppend hart loop ik verder, de zacht neerkomende regendruppels negerend. “Ik had een plu in mijn tas moeten stoppen,” fluister ik heel zachtjes, daar gaat mijn kapsel. “Ik had naar binnen moeten gaan, niet zolang moeten aarzelen, een trap beklimmen is helemaal niet erg. Ik kan het best, moet me gewoon vast houden aan de leuning. Da’s helemaal niet gek, daar zijn leuningen voor.” Wanneer ik aan het eind van de straat ben draai ik me om en loop langzaam weer de hele weg terug naar het station. Het stopt met regenen. Voor de tweede keer, ditmaal niet lukraak, wandel ik richting mijn afspraak. Ik zie mijn spiegeling in een donker raam, mijn haar ziet er nog redelijk uit. Gelukkig maar.
Acht minuten voor twee duw ik de deur van Hotel Wientjes open, tot zover heb ik het gered. Wat nu? Links, rechts, of rechtdoor?
“Waarmee kan ik u helpen?” De vriendelijke receptioniste achter de balie kijkt me vragend aan. Nu wordt er van mij verwacht dat ik iets terug zeg. Ik stamel uit dat ik een afspraak heb met Sandra Di Bortolo. Wanneer ze zegt dat niemand met die naam zich bij haar gemeld heeft, vraag ik me af of ik de uitspraak wel juist had. Een lichte paniek overvalt me. Ik zit hier toch wel goed? Wat nu als het allemaal enkel in mijn fantasie bestaat. Wat nou als niemand iets weet van het hele gedoe van ‘Niemand mag het weten’?
“Zoekt u maar gewoon even een plaatsje uit. Dan verwijs ik haar wel door, waar gaat u zitten?” De baliemedewerkster blijft geduldig wachten tot ik haar antwoord geef. Ik trek mijn jas uit, hang hem aan de kapstok en denk dan te zeggen dat ik nog een plaats moet zoeken. Loop dan tussen een rij tafels door. Daar achterin, in een knus hoekje met grote fauteuils zie ik een vrouw zitten met donker haar en een bril, zou dat??? Er valt een last van mijn schouders wanneer zij mij ook schijnt te herkennen. De vrouw staat op en geeft me een hand. Ik heb het gered, voor het eerst van de dag ontspan ik een beetje. Gelukkig maar.
Wordt natuurlijk vervolgd
Het heeft allemaal zo moeten gebeuren en zo moeten zijn zoals het was. Het had een doel, dat weet ik nu zeker. Ik moest ik worden en mijn eigen dromen nastreven in plaats van die van iemand anders. De egoïste is geboren. Nu denk ik nog wel aan anderen maar óók aan mezelf.
Nog een snelle blik in de spiegel en een bemoedigend knikje van die vrouw die mij aan zit te kijken. Ik ben er klaar voor. Vluchtig controleren of ik alles bij me heb. Medicatie, verschoningen, pen en papier, borstel, telefoon, belangrijke nummers, portemonnee, treinkaartje en reisinformatie. Check, bijna alles is er, nog snel even een korte speurtocht naar mijn verstand, ik kan het in de gauwigheid niet vinden en neem dus maar genoegen met dat beetje zelfvertrouwen wat ik echt nodig heb om de rit goed te doorstaan. Manlief levert me keurig af op het station, hij wenst me succes en drukt me op het hart om vooral goed op mezelf te passen. Met een glimlach probeer ik hem gerust te stellen, maar weet dat ik daarin pas zal slagen bij veilige thuiskomst. De lieverd is tot dan nog geladener dan een hoogspanningskabel. Pure liefde. Gelukkig maar.
De treinreis duurt een half uur. Vroeger heb ik veel op ditzelfde traject gereisd. In mijn beleving is dit de eerste keer. De voorbijtrekkende bomen, huizen, wegen, weilanden, rondhobbelende beesten, alles is nieuw voor me. De wagon is nog niet halfvol. De vrouw waar ik tegenover ga zitten kijkt me afkeurend aan. Ze spreekt haar gedachten niet uit, maar haar gezicht vertaalt haar denkwijze voor me: ‘Waarom ga je niet ergens anders zitten? Er is toch plaats zat?’ Ze moest eens weten dat ik dit enkel en alleen doe om niet onzeker over te komen. Ik had me voorgenomen hoe dan ook, een gesprek in de trein aan te knopen. In plaats van mijn voornemen waar te maken bekijk ik de andere mensen en ontwijk hun blikken, net zoals ze de mijne ontwijken. Ik heb genoeg aan mezelf en meer dan genoeg aan mijn eigen gedachten. Gelukkig maar.
Eenmaal op het station aangekomen stap ik wat aarzelend uit. Het station in Zwolle ziet er zo heel anders uit dan in mijn herinnering, ik moet mij voor een kort moment oriënteren waar ik sta en waar ik naar toe moet. Lukraak kies ik de juiste richting, ’t is nog vroeg, nog niet eens kwart voor twee loop ik langs het Hotel Wientjes. Twee uur heb ik daar een afspraak met uitgeefster Sandra en twee van de negen andere schrijfsters van de bundel ‘Niemand mag het weten’. De ingang is hoog, je moet er een trap voor op, met kloppend hart loop ik verder, de zacht neerkomende regendruppels negerend. “Ik had een plu in mijn tas moeten stoppen,” fluister ik heel zachtjes, daar gaat mijn kapsel. “Ik had naar binnen moeten gaan, niet zolang moeten aarzelen, een trap beklimmen is helemaal niet erg. Ik kan het best, moet me gewoon vast houden aan de leuning. Da’s helemaal niet gek, daar zijn leuningen voor.” Wanneer ik aan het eind van de straat ben draai ik me om en loop langzaam weer de hele weg terug naar het station. Het stopt met regenen. Voor de tweede keer, ditmaal niet lukraak, wandel ik richting mijn afspraak. Ik zie mijn spiegeling in een donker raam, mijn haar ziet er nog redelijk uit. Gelukkig maar.
Acht minuten voor twee duw ik de deur van Hotel Wientjes open, tot zover heb ik het gered. Wat nu? Links, rechts, of rechtdoor?
“Waarmee kan ik u helpen?” De vriendelijke receptioniste achter de balie kijkt me vragend aan. Nu wordt er van mij verwacht dat ik iets terug zeg. Ik stamel uit dat ik een afspraak heb met Sandra Di Bortolo. Wanneer ze zegt dat niemand met die naam zich bij haar gemeld heeft, vraag ik me af of ik de uitspraak wel juist had. Een lichte paniek overvalt me. Ik zit hier toch wel goed? Wat nu als het allemaal enkel in mijn fantasie bestaat. Wat nou als niemand iets weet van het hele gedoe van ‘Niemand mag het weten’?
“Zoekt u maar gewoon even een plaatsje uit. Dan verwijs ik haar wel door, waar gaat u zitten?” De baliemedewerkster blijft geduldig wachten tot ik haar antwoord geef. Ik trek mijn jas uit, hang hem aan de kapstok en denk dan te zeggen dat ik nog een plaats moet zoeken. Loop dan tussen een rij tafels door. Daar achterin, in een knus hoekje met grote fauteuils zie ik een vrouw zitten met donker haar en een bril, zou dat??? Er valt een last van mijn schouders wanneer zij mij ook schijnt te herkennen. De vrouw staat op en geeft me een hand. Ik heb het gered, voor het eerst van de dag ontspan ik een beetje. Gelukkig maar.
Wordt natuurlijk vervolgd
maandag 8 april 2013
Niemand mag het weten... en toch...
Het is begin april, al eventjes, vanaf de eerst van deze maand heb ik mijn mailbox heel goed in de gaten gehouden, vol spanning. Waarop zat ik zo nerveus te wachten? Op tot ik de lang verwachte verlossende woorden zou lezen: Helaas, je verhaal is niet door de strenge jury selectie gekomen
Vandaag was het dan eindelijk zover, in mijn mailbox verscheen een bericht van Sandra, dir. uitgeverij Fenikso. Eerst wou ik de droom nog even rekken, maar uiteindelijk klikte ik het bericht aan en de droom lek.
Hè, wat is dat nou? Wat lees ik daar? Tot mijn grote schrik en verbazing? Helemaal wit weggetrokken, zat ik even roerloos de tekst tot me door te laten dringen.
"Ook dat nog, ook dat nog, het is toch niet te geloven!" Op mijn verdwaasde vertwijfelde uitroepen kwam mijn man vragen wat er zo dramatisch ergs was gebeurd.
"Ik ben door," bracht ik met een benepen piepstemmetje uit.
Langzaam druppelden de eerste felicitaties binnen en nu pas durf ik me een beetje blij te voelen. Natuurlijk zie ik er geweldig tegenop. Maar dat gaat vast wel goed komen. Voorzichtigjes aan jubel ik nu nog bescheiden, maar niet minder gemeend HOERA.
"Niemand mag het weten" is de naam van een bundel die in dit najaar uitgegeven wordt. Mijn verhaal komt samen met 9 andere verhalen van ongeveer 5000 woorden in het boek. De cover met daarop de namen van alle schrijvers vermeld, is al ontworpen.
Vandaag was het dan eindelijk zover, in mijn mailbox verscheen een bericht van Sandra, dir. uitgeverij Fenikso. Eerst wou ik de droom nog even rekken, maar uiteindelijk klikte ik het bericht aan en de droom lek.
Hè, wat is dat nou? Wat lees ik daar? Tot mijn grote schrik en verbazing? Helemaal wit weggetrokken, zat ik even roerloos de tekst tot me door te laten dringen.
"Ook dat nog, ook dat nog, het is toch niet te geloven!" Op mijn verdwaasde vertwijfelde uitroepen kwam mijn man vragen wat er zo dramatisch ergs was gebeurd.
"Ik ben door," bracht ik met een benepen piepstemmetje uit.
Langzaam druppelden de eerste felicitaties binnen en nu pas durf ik me een beetje blij te voelen. Natuurlijk zie ik er geweldig tegenop. Maar dat gaat vast wel goed komen. Voorzichtigjes aan jubel ik nu nog bescheiden, maar niet minder gemeend HOERA.
"Niemand mag het weten" is de naam van een bundel die in dit najaar uitgegeven wordt. Mijn verhaal komt samen met 9 andere verhalen van ongeveer 5000 woorden in het boek. De cover met daarop de namen van alle schrijvers vermeld, is al ontworpen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
