Een paar fikse petsen op mijn wangen zorgen voor de nodige blosjes. Wat
ministompjes op mijn ogen geven net een vleugje blauwgroene schaduw,
net genoeg. Ik bijt mijn lippen rooddoorbloedend. Mascara heb ik niet
nodig. Mijn natuurlijke uitstraling is toereikend. Gelukkig ben ik niet
doorgegaan met de wens van iemand uit mijn verleden. Ooit heb ik nog een
korte opleiding tot model en mannequin gevolgd. Ik leerde hoe ik me zo
elegant mogelijk moest omdraaien en hoe ik een bril af moest nemen om
een intelligente uitstraling te krijgen. Die opleiding werd nogal wreed
onderbroken door tussenkomst van een aantal hersenbloedinkjes en meer
van dat soort ongein. Gelukkig maar.
Het heeft allemaal zo moeten gebeuren en zo moeten zijn zoals het was.
Het had een doel, dat weet ik nu zeker. Ik moest ik worden en mijn eigen
dromen nastreven in plaats van die van iemand anders. De egoïste is
geboren. Nu denk ik nog wel aan anderen maar óók aan mezelf.
Nog een snelle blik in de spiegel en een bemoedigend knikje van die
vrouw die mij aan zit te kijken. Ik ben er klaar voor. Vluchtig
controleren of ik alles bij me heb. Medicatie, verschoningen, pen en
papier, borstel, telefoon, belangrijke nummers, portemonnee,
treinkaartje en reisinformatie. Check, bijna alles is er, nog snel even
een korte speurtocht naar mijn verstand, ik kan het in de gauwigheid
niet vinden en neem dus maar genoegen met dat beetje zelfvertrouwen wat
ik echt nodig heb om de rit goed te doorstaan. Manlief levert me
keurig af op het station, hij wenst me succes en drukt me op het hart om
vooral goed op mezelf te passen. Met een glimlach probeer ik hem gerust
te stellen, maar weet dat ik daarin pas zal slagen bij veilige
thuiskomst. De lieverd is tot dan nog geladener dan een
hoogspanningskabel. Pure liefde. Gelukkig maar.
De treinreis duurt een half uur. Vroeger heb ik veel op ditzelfde
traject gereisd. In mijn beleving is dit de eerste keer. De
voorbijtrekkende bomen, huizen, wegen, weilanden, rondhobbelende
beesten, alles is nieuw voor me. De wagon is nog niet halfvol. De vrouw
waar ik tegenover ga zitten kijkt me afkeurend aan. Ze spreekt haar
gedachten niet uit, maar haar gezicht vertaalt haar denkwijze voor me:
‘Waarom ga je niet ergens anders zitten? Er is toch plaats zat?’ Ze
moest eens weten dat ik dit enkel en alleen doe om niet onzeker over te
komen. Ik had me voorgenomen hoe dan ook, een gesprek in de trein aan te
knopen. In plaats van mijn voornemen waar te maken bekijk ik de andere
mensen en ontwijk hun blikken, net zoals ze de mijne ontwijken. Ik heb
genoeg aan mezelf en meer dan genoeg aan mijn eigen gedachten. Gelukkig
maar.
Eenmaal op het station aangekomen stap ik wat aarzelend uit. Het station
in Zwolle ziet er zo heel anders uit dan in mijn herinnering, ik moet
mij voor een kort moment oriënteren waar ik sta en waar ik naar toe
moet. Lukraak kies ik de juiste richting, ’t is nog vroeg, nog niet eens
kwart voor twee loop ik langs het Hotel Wientjes. Twee uur heb ik daar
een afspraak met uitgeefster Sandra en twee van de negen andere
schrijfsters van de bundel ‘Niemand mag het weten’. De ingang is hoog,
je moet er een trap voor op, met kloppend hart loop ik verder, de zacht
neerkomende regendruppels negerend. “Ik had een plu in mijn tas moeten
stoppen,” fluister ik heel zachtjes, daar gaat mijn kapsel. “Ik had naar
binnen moeten gaan, niet zolang moeten aarzelen, een trap beklimmen is
helemaal niet erg. Ik kan het best, moet me gewoon vast houden aan de
leuning. Da’s helemaal niet gek, daar zijn leuningen voor.” Wanneer ik
aan het eind van de straat ben draai ik me om en loop langzaam weer de
hele weg terug naar het station. Het stopt met regenen. Voor de tweede
keer, ditmaal niet lukraak, wandel ik richting mijn afspraak. Ik zie
mijn spiegeling in een donker raam, mijn haar ziet er nog redelijk uit.
Gelukkig maar.
Acht minuten voor twee duw ik de deur van Hotel Wientjes open, tot zover heb ik het gered. Wat nu? Links, rechts, of rechtdoor?
“Waarmee kan ik u helpen?” De vriendelijke receptioniste achter de
balie kijkt me vragend aan. Nu wordt er van mij verwacht dat ik iets
terug zeg. Ik stamel uit dat ik een afspraak heb met Sandra Di Bortolo.
Wanneer ze zegt dat niemand met die naam zich bij haar gemeld heeft,
vraag ik me af of ik de uitspraak wel juist had. Een lichte paniek
overvalt me. Ik zit hier toch wel goed? Wat nu als het allemaal enkel
in mijn fantasie bestaat. Wat nou als niemand iets weet van het hele
gedoe van ‘Niemand mag het weten’?
“Zoekt u maar gewoon even een plaatsje uit. Dan verwijs ik haar wel
door, waar gaat u zitten?” De baliemedewerkster blijft geduldig wachten
tot ik haar antwoord geef. Ik trek mijn jas uit, hang hem aan de kapstok
en denk dan te zeggen dat ik nog een plaats moet zoeken. Loop dan
tussen een rij tafels door. Daar achterin, in een knus hoekje met grote
fauteuils zie ik een vrouw zitten met donker haar en een bril, zou
dat??? Er valt een last van mijn schouders wanneer zij mij ook schijnt
te herkennen. De vrouw staat op en geeft me een hand. Ik heb het gered,
voor het eerst van de dag ontspan ik een beetje. Gelukkig maar.
Wordt natuurlijk vervolgd
Geen opmerkingen:
Een reactie posten