Met schoteltjesgrote ogen stond mijn moeder naar mijn zusjes klonterige roodoranje haar te kijken. Glimmend van trots op het resultaat vroeg ik wat ze ervan vond. Vier jaar was ik, rode wangen van de inspanning die ik verricht had. Alles had ik uit de kast gehaald. Het resultaat mocht er wezen, vond ik zelf. Een geheel nieuwe coupe, een geheel nieuwe kleur. Het gepiel met de saus als verf te gebruiken voor haar haar was wonderlijk goed gelukt. De kleur paste uitstekend bij haar garderobe, ze droeg altijd van die smetteloos witte jurkjes. De tomatensappen liepen in sierlijke sliertjes uit de nog natte haren, en lieten mooie fijne spoortjes achter op het glanzende satijn van het jurkje.
Dat niet iedereen dezelfde goede smaak heeft, daar kwam ik toen achter. Mijn zusje zette het op een brullen, ze ging tekeer als een razende. Kon niet tegen vlekken, helemaal niet op haar eigen kleren en was panisch wanneer ze vreemde dingen voelde op haar huid of haar. Mijn moeder griste het schaartje uit mijn handen, haar moederhart was mij niet gunstig gezind, ze brak het gereedschap voor mijn ogen in stukken en goot het laatste restje spaghettisaus door de gootsteen. Mij verbouwereerd achterlatend, sleurde ze mijn zusje compleet met haar nieuwe look mee. Onder de douche werd mijn creatie weggespoeld. Mijn ego werd gelijk met de kinderschaar gebroken, mijn plan om een kapster te worden vernietigd.
Lang heb ik het nog moeten horen. Ik kon de kapperscarrière wel op mijn buik schrijven en ging me richten op een andere passie. Koken. Mijn specialiteit werd spaghetti en toetjes, met bergen slagroom.
Jaren later lukte het om een eigen restaurantje te beginnen in de grote stad. We woonden naast mijn trots. Van heinde en verre kwamen de mensen om van mijn gerechten te genieten. Alleen mijn zus is nog nooit langs geweest. Ieder jaar nodigde ik haar uit en ieder jaar wees ze mijn uitnodiging beleefd af. Ik verdenk haar ervan dat ze me nooit haar metamorfose vergeven heeft.
'Hai zussie, met Dana, heb je zin om hier een paar dagen te logeren met je hele gezinnetje?'
Ze zal nee zeggen, ik wist het vrijwel zeker. Het is een utopie om haar uit haar vertrouwde omgeving weg te lokken. Ze schuwt de drukte van de stad, hecht veel te veel waarde aan vaste patronen, regelmaat, orde.
Groot was de schok toen ze mijn uitnodiging aannam.
Wat had ik gedaan? Mijn zus, haar man en zoontje waren alle drie autistisch, samen met mijn dochtertje zouden er 4 autisten onder één dak zijn. En ik kon mijn dochter al nauwelijks aan, hysterie ten top zou het zijn, vooral omdat het de maand december is. Nou ja, het moest maar, het was tenslotte mijn zus, ik zou het zeker wel overleven.
Het was een compleet drama. Zoonlief (mijn neefje) had nog last van de nasleep van de griep, en was tot overmaat van ramp zijn snotlap vergeten. Hij weigerde pertinent om het met een andere zakdoek te doen, gehecht als hij was aan zijn eigen vertrouwde spulletjes en ik zag in gedachten al de zo keurig gedekte tafels van ons restaurantje eronder gesproeid worden. Hij wilde perse een plaatsje in het midden en bestelde spaghetti. Ik hield mijn hart vast en deelde uit voorzorg gratis paraplu's uit aan de overige gasten. Het was gruwelijk. Toen ik het bord spaghetti voor hem neerzette zag ik een sliert uit zijn neus lopen, ik siste tegen mijn zus dat dit echt niet kon zo midden tussen betalende klanten. Waarop zij verontwaardigd opstond en haar bolognese schotel ten overstaan van een volle zaak over mijn hoofd heen kieperde. In een mum van tijd was het horecabedrijf het toneel van een slapstick geworden. Alles vloog iedereen om de oren.
Mijn zus had haar wraak genomen en zoals mijn moeder mijn kapperscarrière om zeep had geholpen heeft mijn zus jaren later mijn horecacarrière naar de filistijnen laten gaan.
Nu laat ik me omscholen naar stuntende motormuis, dat lijkt me een heel wat rustiger bestaan te worden. Volgend jaar nodig ik mijn zus uit op het circuit van Assen, de familiebanden laat ik er niet onder lijden.
dinsdag 31 december 2013
zondag 17 november 2013
Een bitterzoete vergelding
Er hangt een beklemmende spanning. De doordringende blik van zijn koolzwarte ogen doet een ijzingwekkende rilling over mijn ruggengraat lopen. Toch ben ik meer dan kalm. Voel me oppermachtig met de rubberen greep van de Smith and Wesson strak in de palm van mijn licht zwetende hand en mijn wijsvinger tegen het koude staal van de trekker. Aan zijn misselijkmakende daden kan door mij nu een einde gemaakt worden. Eén beweging is voldoende om hem het zwijgen op te leggen, om te voorkomen dat hij ooit nog een vinger naar haar uit durft te steken, om de wraak te completeren. Hoe heeft het in vredesnaam zover kunnen komen. Wie had vroeger gedacht dat ik nog eens van de vriendelijke, ietwat statige immer correcte dame, veranderen zou in een verbitterd haatdragend kreng dat enkel en alleen maar één ding voor ogen heeft. Wraak nemen op dat monster. Het monster dat haar in de vernieling had geholpen.
Een paar jaar geleden toen mijn dochter de 5-jarige leeftijd had bereikt, was het al begonnen, de kentering. Twee jaar lang was ik er blind voor geweest, had niet voor kunnen stellen dat er zoiets gruwelijks onder mijn dak zou kunnen gebeuren. Bij anderen misschien, niet bij mij, niet in mijn perfecte bestaan.
Mijn leven verliep wel goed, vond ik, ik had het niet slecht getroffen, alles verliep volgens vooropgezet plan. Een onbezorgde jeugd lag ten grondslag aan een succesvol leven. Ik had echt alles wat mijn hartje maar begeren kon. Mijn beide ouders waren nog in leven, gaven mij een strakke doch liefdevolle opvoeding waar ik veel baat bij gehad heb. Zo heb ik als tiener genoten van voldoende vrijheid en geleerd hoe ik mij moest gedragen om in hogere kringen niet al te gek voor de dag te komen. Mijn studie sloot goed aan op mijn mogelijkheden, ik werd stimulerend gepusht om hem met goede resultaten af te ronden. Tot mijn tweeëntwintigste levensjaar woonde ik in mijn ouderlijk huis en ging vervolgens vier jaar op kamers. Tijdens die periode heb ik mijn man leren kennen. Zo'n fantastische goede partij, beter kon ik het niet treffen. Dik donker krullend haar en ogen, daar was ik helemaal verliefd op geworden. Zijn ogen kleurden mee naar zijn stemming, van liefdevol zacht bruin naar gepassioneerd donker tegen het zwart aan. Hij was naast zijn aantrekkelijke verschijning, zeer onderhoudend, altijd even charmant en attent. Het was een sportieve man , romantisch op zijn tijd, had humor en bulkte ook nog eens van het geld. Ik leefde een tijdlang in een soort roes. Ik werd overladen met kleine en grote attenties, kreeg met regelmaat een enorme bos bloemen, werd overspoeld met sieraden. Hij nam me mee uit eten, zorgde altijd voor intieme hoekjes in de duurste chicste restaurants. Niet zelden kwam ik terecht in een privé lounge, waar op het midden van de tafel, bedekt met een damasten tafelkleed, een zilveren kandelaar stond, met een naar honing geurende kaars en standaard altijd een vaasje met één roos erin. Vaak met op de achtergrond een muzikale omlijsting, pianomuziek of romantische klanken van de snaren van een harp, soms kwam er een violist speciaal voor mij een serenade brengen. Ik voelde mij dan ook vereerd toen hij me op een midzomernacht, onder een rijk bezaaide heldere sterrenhemel ten huwelijk vroeg. We betrokken een riante villa in een keurig nette buurt omringd met woningen van beroemdheden, hoge heren, filmsterren en tv persoonlijkheden, stuk voor stuk acterend alsof ze allemaal blauw bloed hadden en van adel waren. Ik voelde mij er zo geweldig op mijn plaats, als een vis in water, een zeemeermin in een koninklijk fonteintje. Dit was het leven waar ik vroeger van gedroomd had. Een sprookje, wat later een illusie bleek te zijn.
Toen we een dochtertje kregen begon een heel ander leven. Alle aandacht en daarbij behorende presentjes kwamen helemaal ten goede aan de kleine Rosalie, hij beschouwde haar als zijn prinsesje. Ik vond het prima, kreeg meer dan voldoende geld van hem om aan mezelf te besteden, had mijn eigen leven in de society kringen, dus klaagde niet. Maar had ook niet in de gaten dat er meer meespeelde, veel meer. Ons dochtertje groeide uit tot een mooi meisje, een vrolijk en uitbundig kind, met een open karakter, verwend tot en met. Die verwendheid dreigde om te slaan naar bijna onuitstaanbare verwaandheid . Het vrolijke opgeruimde karakter wat Rosalie als peuter en kleuter had gehad maakte plaats voor chagrijn. Het kwam meer dan eens voor dat ze mij plots een grote mond gaf en om het minste of geringste gewoon zat te mokken en nukkig te doen. Al op haar zevende levensjaar leek ze wel een puber , overal trapte ze tegenaan en niets was goed genoeg in haar ogen. Ze ontpopte zich als een ontevreden krengetje, dat altijd haar zin moest en zou hebben. We verwijderden steeds verder van elkaar, mijn dochter en ik. Hoe ik mezelf er ook om haatte, ik kon het gevoel van afkeer van mijn eigen dochtertje maar moeizaam tegenhouden. Had ik toen maar beter opgelet. Was ik toen maar niet zo blind geweest voor de subtiele signalen die ik kreeg. Had ik toen maar begrepen dat de verandering in haar, niet enkel en alleen kwam door verwennerij. Rosalie was door meer dingen verpest, veel ergere indringender zaken vergiftigd. Wanneer ik mijn aversie voor haar had weten om te zetten in begrip en aandacht, echte warme aandacht, liefdevolle aandacht, had ik het misschien kunnen voorkomen. Wanneer ik niet zoveel met mezelf en met mijn geliefde hooggeplaatste sociale relaties bezig was geweest, niet mijn eigen prestigieuze status voor het belang van mijn kind had gesteld, was het misschien nooit zover gekomen.
Gedane zaken nemen geen keer. Berouw komt altijd na de zonde. Clichés die helaas maar al te waar zijn. Ik voel nog mijn maag omkeren en mijn ziel ineenkrimpen, toen ik nietsvermoedend thuiskwam van de zoveelste glamour teaparty en Rosalie in tranen onder de blauwe plekken aantrof op haar kamertje. Snikkend zocht ze troost bij mij, me nota bene smekend haar te vergeven. Vol afgrijzen hoorde ik wat er de afgelopen jaren onder mijn eigen dak, met mijn eigen vlees en bloed, met haar, mijn tere verwende dochtertje voor gruwelijkheden gebeurd waren. Hoe zij hier eigenhandig een eind aan had geprobeerd te maken, door bij de zoveelste misselijkmakende seksuele handeling zichzelf te verzetten.
"Hou jij nog wel van mij mama? Papa niet meer, dat heeft hij zelf gezegd."
Mijn moederhart verscheurde, ze had zowaar spijt van haar verweer. De zichtbare bloeduitstortingen vielen in het niet bij wat mijn man haar verder voor inwendige littekens bezorgd had. Ongetwijfeld letterlijke beschadigingen binnen haar lichaam, maar ook haar ziel had onherstelbaar diepe littekens opgelopen. Ik keek naar het beschadigde lichaampje van het mooie fragiele meisje. Hoe lang was dit al gaande? Hoe weerzinwekkend was het al op 7-jarige leeftijd de zo pure maagdelijkheid te verliezen.. Ik voelde een kwaadheid in mij naar boven komen, een onbeschrijfelijke woede opborrelen, een kille haat.
Ik moest iets doen. Hem aangeven? Mijn eigen man aangeven bij de politie? Wat kon ik anders doen? Ik dacht aan de Smith en Wesson, het wapen dat hij ooit voor me had aangeschaft en me zelf had leren te hanteren. Je wist het tenslotte maar nooit, in de huidige maatschappij moest de burger zichzelf kunnen verdedigen. Ik nam me voor het te gebruiken.
We staan daar, tegenover elkaar. Ik ben maar enkele meters van hem verwijderd. In een fractie van een seconde realiseer ik me hoe desperaat ik bezig ben. Het heeft geen zin voor eigen rechter te spelen. Wat zal het me brengen, wat levert het op? Gerechtigheid? Oké, en dan heb ik hem een kogel door zijn kop geschoten, de wraak zal niet zoet zijn en me hooguit slechts kort genoegdoening geven. Aarzelend laat ik mijn hand, met daarin het vastgeklemde pistool zakken. De indringendheid in de donkere ogen verdwijnt. Maar in plaats van het door mij verwachte sprankje hoop, komt er vertwijfeling en angst voor terug. Hij zakt nu door zijn benen, smekend op zijn knieën. Het lijkt een kort moment alsof hij juist wil dat ik de loop weer op hem richt. Ik blijf even staan maar draai me dan om. Ik keer mijn wraak de rug toe. Het zachte, bijna niet hoorbare 'het spijt me, vergeef me', komt als een dreunende mokerslag bij mij binnen. Kort twijfel ik, aarzel, maar loop daarna resoluut met ferme stappen de kamer uit. Een gebroken man achterlatend. Het genadeschot zal ik hem niet gunnen, hij zal moet blijven leven met schuld. Gerechtigheid zal zegevieren. Ik heb het keerpunt van de wraak bereikt.
©Dana Martens
Uit de bundel "Het Keerpunt" van uitgeverij LetterRijnmaandag 11 november 2013
De terugkeer
"Veel geluk met uw terugkeer in de maatschappij mevrouw, probeer er het beste van te maken en we hopen u hier in ieder geval nooit meer terug te zien! Blijf op het rechte pad!"
Voor een kort moment denk ik een opwellende traan tevoorschijn zien te komen in zijn ooghoek, hij zal me toch niet missen? Net zoals ik mijn plekje hier zal missen. Tussen de vele oplichters, verkrachters, dieven en andersoortig gespuis voel ik me als een vis in het water. Niet van iedere misdadiger snap ik de intentie, maar in ieder geval veroordelen mijn collegiagevangen me nooit om mijn vreemde gedragingen. Dat moet ik in die maatschappij nog maar afwachten. Ik heb er een zwaar hoofd in.
Wanneer ik nog wat onwennig mijn oorbellen weer tracht in te doen verzeker ik hem dat ik zeker een poging zal wagen om zijn wensen na te leven. Mijn rode pruik, waar ik afstand van heb moeten nemen bij het betreden van mijn cel ligt nog op het bureau van de beste man. Pal naast een gevuld koffiekopje. Het is net alsof het kopje me toeschreeuwt: "Gooi mijn inhoud over je pruik, keer voorgoed dat roodharige monster de rug toe." Met een graai red ik het haarstuk. Klem het even stevig tegen me aan, glimlach tegen de man achter het bureau.
"Die neem ik mee, al is het maar als souvenir!"
"Doe dat maar", mompelt hij en roept de Rammelaar, zoals de insiders de man met de sleutels noemen bij zich. Het voelt raar aan wanneer ik uiteindelijk achter hem aan loop en hij voor de laatste maal met zijn sleutelbos rammelt zoals hij ook altijd 's avonds deed, bij controleren of iedere cel wel goed afgesloten was. Ditmaal gebruikt hij hem om mij de vrijheid te geven.
Mijn laatste geld heb ik in dit zaakje gestoken. Mijn nieuwe start. Het leven op de straat heb ik voorgoed de rug toe gekeerd, hoewel ik het af en toe best mis voel ik me veiliger binnen. Buiten zou ik zomaar weer in de verleiding kunnen komen wanneer mannen met dikke portemonnees hun autoraampjes naar beneden zouden draaien en me aan zouden spreken.
Een speciaal ontworpen briefhoofd, een paar advertenties en het uithangbord met daarop de tekst: 'Op het rechte pad', konden er nog net af. Helaas is het geld nu op, ik speel net quitte met mijn speciale seminars. Ze gaan voornamelijk over mijn tijd in de cel, mijn terugkeer in de maatschappij en de noodzaak om op het rechte pad te blijven. Voor wat extraatjes is geen geld meer. Maar het is het meer dan waard, ben tevreden met het leventje wat ik nu leid. Ik zie de straat niet meer, kom voor niets buiten mijn toko. Werken, slapen en eten doe ik hier, boodschappen en andere benodigdheden laat ik me bezorgen.
Af en toe, wanneer ik echt een niet tegen te stoppen behoefte voel, sluit ik de luxaflex, zet mijn souvenir op en laat het roodharige monster in me naar buiten komen. Speciale nietsvermoedend klantjes pik ik met zorg uit. Heb van vroeger nog zoveel contacten, ik bel ze op en maak een afspraak. Wanneer ze eenmaal binnengekomen zijn via mijn achterdeurtje, is er geen ontsnappen meer mogelijk. Letterlijk en figuurlijk kleed ik ze uit, zuig ik ze leeg, tot de laatste druppel uit hun aderen is en aangezien ik me geen sporen kan veroorloven begraaf ik de lijken in mijn kelder.
Zo kan ik er weer even tegen en hou ik me toch aan mijn belofte bij het rechte pad te blijven. Ja, ik ben meer dan tevreden, mijn terugkeer in de maatschappij is geweldig geslaagd.
Novemberuitdaging schrijvelarij
Voor een kort moment denk ik een opwellende traan tevoorschijn zien te komen in zijn ooghoek, hij zal me toch niet missen? Net zoals ik mijn plekje hier zal missen. Tussen de vele oplichters, verkrachters, dieven en andersoortig gespuis voel ik me als een vis in het water. Niet van iedere misdadiger snap ik de intentie, maar in ieder geval veroordelen mijn collegiagevangen me nooit om mijn vreemde gedragingen. Dat moet ik in die maatschappij nog maar afwachten. Ik heb er een zwaar hoofd in.
Wanneer ik nog wat onwennig mijn oorbellen weer tracht in te doen verzeker ik hem dat ik zeker een poging zal wagen om zijn wensen na te leven. Mijn rode pruik, waar ik afstand van heb moeten nemen bij het betreden van mijn cel ligt nog op het bureau van de beste man. Pal naast een gevuld koffiekopje. Het is net alsof het kopje me toeschreeuwt: "Gooi mijn inhoud over je pruik, keer voorgoed dat roodharige monster de rug toe." Met een graai red ik het haarstuk. Klem het even stevig tegen me aan, glimlach tegen de man achter het bureau.
"Die neem ik mee, al is het maar als souvenir!"
"Doe dat maar", mompelt hij en roept de Rammelaar, zoals de insiders de man met de sleutels noemen bij zich. Het voelt raar aan wanneer ik uiteindelijk achter hem aan loop en hij voor de laatste maal met zijn sleutelbos rammelt zoals hij ook altijd 's avonds deed, bij controleren of iedere cel wel goed afgesloten was. Ditmaal gebruikt hij hem om mij de vrijheid te geven.
***
Mijn laatste geld heb ik in dit zaakje gestoken. Mijn nieuwe start. Het leven op de straat heb ik voorgoed de rug toe gekeerd, hoewel ik het af en toe best mis voel ik me veiliger binnen. Buiten zou ik zomaar weer in de verleiding kunnen komen wanneer mannen met dikke portemonnees hun autoraampjes naar beneden zouden draaien en me aan zouden spreken.
Een speciaal ontworpen briefhoofd, een paar advertenties en het uithangbord met daarop de tekst: 'Op het rechte pad', konden er nog net af. Helaas is het geld nu op, ik speel net quitte met mijn speciale seminars. Ze gaan voornamelijk over mijn tijd in de cel, mijn terugkeer in de maatschappij en de noodzaak om op het rechte pad te blijven. Voor wat extraatjes is geen geld meer. Maar het is het meer dan waard, ben tevreden met het leventje wat ik nu leid. Ik zie de straat niet meer, kom voor niets buiten mijn toko. Werken, slapen en eten doe ik hier, boodschappen en andere benodigdheden laat ik me bezorgen.
Af en toe, wanneer ik echt een niet tegen te stoppen behoefte voel, sluit ik de luxaflex, zet mijn souvenir op en laat het roodharige monster in me naar buiten komen. Speciale nietsvermoedend klantjes pik ik met zorg uit. Heb van vroeger nog zoveel contacten, ik bel ze op en maak een afspraak. Wanneer ze eenmaal binnengekomen zijn via mijn achterdeurtje, is er geen ontsnappen meer mogelijk. Letterlijk en figuurlijk kleed ik ze uit, zuig ik ze leeg, tot de laatste druppel uit hun aderen is en aangezien ik me geen sporen kan veroorloven begraaf ik de lijken in mijn kelder.
Zo kan ik er weer even tegen en hou ik me toch aan mijn belofte bij het rechte pad te blijven. Ja, ik ben meer dan tevreden, mijn terugkeer in de maatschappij is geweldig geslaagd.
Novemberuitdaging schrijvelarij
woensdag 2 oktober 2013
Boekpresentatie 'Niemand mag het weten', 28 september 2013
"Trek
maar wat luchtigs aan hoor, het wordt een warme dag!"
De zon
schijnt inderdaad al stralend, het gister uitgekozen jurkje met lange mouwen
mag weer in de kast. Flexibel pas ik me makkelijk aan weersomstandigheden aan.
Vol vertrouwen leg ik een kort rokje klaar, de licht doorschijnende blouse met
talloze gaatjes in patroon erboven op, het is gewaagd, maar het luxeaandoend
bloesje was zo goedkoop, die kon ik gewoon niet weerstaan. De top die erbij
gekocht was had exact dezelfde kleur, gaf geen doorkijk, dus verantwoord voor
een vrouw van mijn leeftijd.
"Mama,
ik ga beslist niet die kleren aandoen hoor", Kim zet haar onvermurwbare
gezicht op.
"Aah,
waarom nou niet Kim, het staat je zo schattig", foute woordkeuze, ik besef
het meteen, Kim is niet meer over te halen. Ze wil perse iets anders aan,
vandaag heeft ze geen zin in schattig zijn. Haar eigen keuze zal mij niet
aanstaan, ik zie het aan haar gezicht. Of het is haar te klein of het past haar
nog niet. Ik besluit maar tot de aanpak die werkt.
"O, wat
ben ik toch dom, ik heb me vergist. Je moet er vandaag niet schattig uitzien,
maar kleren dragen die je hoort te dragen wanneer je moeder een boekpresentatie
heeft." Gelijkertijd met die woorden leg ik een broek en een shirt voor
haar klaar. Kim haalt haar schouders op en trekt ze zonder verder commentaar
aan. Tja, wat hoort dat hoort.
Broodjes
smeren voor onderweg, haren wassen, nagels lakken en boodschappen inruimen die
Geert net binnen komt brengen. Ik loop nog in mijn badjas.
"Brrr
wat is het koud buiten! Ik zou maar wat warms aan doen als ik jou was."
De zon
schijnt nog steeds, maar vertrouwend op Geerts weersanalyse wordt het toch het
zwarte jurkje met de lange mouwen. Wanneer ik helemaal aangekleed en heel
summier opgemaakt de trap af kom klapt Kim in haar handen. "Mama wat zie
je er mooi uit!" Geert zegt: "Zo mag ik mijn vrouw graag zien, je
straalt!"
We leggen
Kim nog even uit wat er gebeuren gaat en hoe ze zich gedragen moet, wat er van
haar verwacht wordt en spreken met haar af dat zij zelf aan mag geven of ze
erbij wil blijven of niet. Wanneer er teveel mensen zijn gaat Geert wel ergens
rondlopen met haar, terrasje pikken of iets dergelijks. Ze wil zelf graag mee
naar de presentatie, ze heeft gelezen dat het in een boekwinkel plaatsvindt en
Kim is nou eenmaal dol op boekwinkeltjes.
Het is dé
oplossing voor mijn zenuwen. Doordat Kim er absoluut niet tegen kan wanneer ze
zenuwen bij mij merkt moet ik me wel flink houden. Uiterlijk zie ik er dan ook
heel ontspannen uit en maak een stabiele indruk, inwendig is het wat minder
aangenaam gesteld met me. We gaan er een leuke dag van maken, vandaag, wat er
ook gebeurt, neem ik me voor.
"Vergeet
je je fototoestel niet?"
Oeps, bijna
vergeten, ik grist hem nog even uit de kast en maak alvast een foto voor ons
vertrek. Althans, dat was de bedoeling. Het toestel weigert resoluut, gelukkig
heb ik me net voorgenomen om me door niets of niemand uit het veld te laten
slaan vandaag. Zonder fototoestel, met broodjes, drinken en een uitgedraaide
routebeschrijving vertrekken we om 12 uur.
Bij stralend
weer en een half uur te vroeg hebben we Nawijn & Polak Boekverkopers in
Apeldoorn gevonden. Aan de buitenkant geen teken van Niemand mag het weten, we
besluiten eerst een rondje over de markt te lopen. Kim vraagt wanneer we nou
eindelijk eens naar de boekhandel gaan, de markt vindt ze maar saai en ze is zo
nieuwsgierig wat voor boeken er te lezen zijn, dus gaan we maar naar binnen.
Wat een mooie grote boekhandel. Kim heeft de tijdschriftenafdeling gespot en is
al verdiept in de nieuwe Katrien wanneer ik een bekend gezicht meen te zien.
"Dana,
leuk dat je er bent", Sandra geeft me een hand en ik stel Geert aan haar
voor en roep Kim, die maakt stampij omdat ze haar vondst niet terug wil leggen,
het is de laatste, stel je voor dat er net iemand anders mee voordoor gaat.
Geert snapt het en in no-time is Kim een Katrien rijker.
Langzaam
druppelen andere schrijvers binnen en ik zie een man op een afstandje naar me
kijken. Van deze afstand kan ik onmogelijk zien of hij een rood oog heeft, maar
zwaai naar hem, alsof ik hem herken. Hij schuifelt naderbij. Yep, het is Henk,
zonder rode ogen, maar wel met twee schattige rode oortjes schudden we handen
en stellen we ons aan elkaar voor. Hij maakt kennis met Geert en Kim en ik vind
het weer eens jammer dat mijn fototoestel in staking is gegaan.
"Komt
iedereen?", vraag ik aan Sandra: "alle schrijvers die in het boek
staan?"
"Ellen
de Vriend heeft afgebeld, ze voelde zich nog te ziek, maar de rest heeft
gezegd te komen, alleen Lonneke zie ik nog niet."
Lonneke liep
al met hoogrode kleur rond te kijken. "He hallo, hier zijn we", mijn
stem schalt door de boekwinkel. Ben ik dat? Even verdenk ik mezelf ervan
stiekem wat gesnoven te hebben, maar lang tijd om na te denken heb ik niet. We
zijn compleet en gaan de trap op, naar een zaaltje voor de boekpresentatie.
Concentratie is geboden, trappen zijn nog altijd hindernissen. Veilig komen we
boven. In een sober ingericht zaaltje staan stoelen klaar, twee keer 5 naast
elkaar, ik denk 7 rijtjes. Wij gaan in de tweede rij zitten, Geert draait zich
even om en zegt dat er nog redelijk veel mensen gekomen zijn. Hij schat het op
50.
Na in het
kort te vertellen hoe de bundel tot stand is gekomen, vertelt Sandra wat over
ieder afzonderlijk verhaal. De geïnteresseerden krijgen een korte impressie van
de inhoud van het boek. Dit vond ik echt geweldig, zo leuk om te horen hoe
iedere verhaal en schrijver persoonlijke aandacht kreeg. Hoewel erg onder de
indruk van de andere verhalen, kwam mijn 'De leiding gevuld en genomen' zeker
niet als slechtste uit de verf. Ik ben geloof ik wel 10 centimeter gegroeid,
van verwaande trots. Iedere schrijver kreeg 2 exemplaren uitgereikt van het
boek. Wat heerlijk om je verhaal gedrukt te zien tussen vele kanjerstory's.
Na her en
der wat te signeren en ontspannen met bijna iedereen een babbeltje te maken,
voelde ik me echt geweldig. Overmoedig gaf ik te kennen dat ik ook nog een
signeersessie elders zou houden, de oorspronkelijke bedoeling was in Hardenberg
of Coevorden, maar het zou ook goed mogelijk zijn dat ik samen met twee anderen
een sessie ga organiseren bedoeld voor Noord-Oost Nederland. De plaatsnamen
Groningen en Leeuwarden zijn voorbijgekomen.
Ik krijg er
nu al weer de bibbers van, wat doe ik mezelf aan.
donderdag 29 augustus 2013
Het huishouden van Jan Steen krijgt visite van de Koningin
Ik knutsel graag met woordjes, deze keer heb ik een verhaaltje geschreven met daarin 10 woordjes die ik gekregen heb van Chantal. Een onzinverhaaltje met een maatschappelijk knipoogje.
“Aaltje,” zeg ik tegen mijn man: “We gaan het totaal anders aanpakken dan ze ooit van ons gewend zijn.”
“Max,” piept mijn man terug: “Je weet dat ik er altijd gruwelijke hekel aan heb dat je me een mietjesnaam toedeelt. Andere aanpak, oké, maar noem me geen Aaltje, ik lijk wel een pispaaltje.”
Ondanks de lichte irritatie van hem, moet hij toch grinniken om zijn eigen aanvulling. Aaltje het pispaaltje. Mijn enigszins laatdunkende glimlach valt hem niet hem niet op. Jarenlang ben ik al bezig geweest met hem in te palmen. Hij heeft het niet eens in de gaten gehad, slikte elk woord van mij als zoete appeltaart in en ik hoefde hem maar met vleiende gebaartjes limonadesiroop om de mond te smeren en hij was als vaseline in mijn handen. Ik heb inmiddels echt een flinke vinger in halfvolle koffiemelkse pap, dat mag wel duidelijk zijn.
Ik heb een afspraak gemaakt met dé perfecte kapper om mijn gladde Aal eruit te laten zien als flierefluiter, best wel een flinke klus. Maar Mari wel toevertrouwd. Hij is in slechts 5 luttele uurtjes klaar met manlief en heeft ook nog een passende outfit voor mij. Ik kijk goedkeurend in de spiegel, we er echt uit als een stel perfecte aso’s.
Niemand zal ons nu nog herkennen.
Maar omdat ik nou eenmaal niet de persoon ernaar ben om over één nacht elfstedenijs te gaan, lopen we nog even ons vaste lunchcafé binnen, ik vraag om de vakantiekaart. We worden er net zo hard weer uitgezet met de hautaine mededeling dat dit geen één of ander inloophuis is, maar een net establishment voor de hooggeplaatste medemens, wij als stelletje zwervers horen daar niet thuis .
”Omhooggevallen stelletje eikels,” roep ik uit voor Aaltje onze vermomming een beetje dom prijsgeeft.
“Kom mee,” zeg ik tegen mijn verongelijkte man, die het niet gewend is om als stuk vuil behandeld te worden. “We hebben nog meer te doen.”
We lopen door een achterbuurt, vallen hier helemaal niet op.
“We gaan Jan blij maken met een bezoekje,” zeg ik tegen mijn man en loop zelfbewust een kraakpand binnen. De verbaasde ‘bewoner’ schrikt zich te pletter wanneer we zomaar bij hem binnenvallen. Hij valt op zijn knieën wanneer hij mij herkent, ware afkomst verloochend zich nou eenmaal niet.
“Alstublieft majesteit, vergeeft u mij mijn huishouden van Jan Steen, ik ben driftig op zoek naar huisvesting en ben al een keer uit een woning gezet omdat volgens buren ik er een chaotische bende van maakte en ik mijn huur niet langer op kon brengen door het genaai van de regering. Ik kon niet langer gebruik maken van mijn sociale rechten. Mijn schulden liepen te hoog op.”
De ogen van de man staan radeloos en ik tast diep in mijn buidel en haal er een flinke hoeveelheid onterechte gouden handdrukken uit.
Met een grote gulle glimlach rijk ik één van hen naar Jan: “Hier, alsjeblieft, doe er wat leuks mee,” en tegen mijn man: ”Ja Aaltje, ook iedere sloopwoning heeft zijn kruisje, maar niet iedereen heeft dezelfde financiële status om de kruizen te dragen. Daar richten we onze nieuwe aanpak op. Een betere verdeling van de gouden handdrukken.”
En zo leven we nog lang en gelukkig in een ware sprookjesmaatschappij.
“Aaltje,” zeg ik tegen mijn man: “We gaan het totaal anders aanpakken dan ze ooit van ons gewend zijn.”
“Max,” piept mijn man terug: “Je weet dat ik er altijd gruwelijke hekel aan heb dat je me een mietjesnaam toedeelt. Andere aanpak, oké, maar noem me geen Aaltje, ik lijk wel een pispaaltje.”
Ondanks de lichte irritatie van hem, moet hij toch grinniken om zijn eigen aanvulling. Aaltje het pispaaltje. Mijn enigszins laatdunkende glimlach valt hem niet hem niet op. Jarenlang ben ik al bezig geweest met hem in te palmen. Hij heeft het niet eens in de gaten gehad, slikte elk woord van mij als zoete appeltaart in en ik hoefde hem maar met vleiende gebaartjes limonadesiroop om de mond te smeren en hij was als vaseline in mijn handen. Ik heb inmiddels echt een flinke vinger in halfvolle koffiemelkse pap, dat mag wel duidelijk zijn.
Ik heb een afspraak gemaakt met dé perfecte kapper om mijn gladde Aal eruit te laten zien als flierefluiter, best wel een flinke klus. Maar Mari wel toevertrouwd. Hij is in slechts 5 luttele uurtjes klaar met manlief en heeft ook nog een passende outfit voor mij. Ik kijk goedkeurend in de spiegel, we er echt uit als een stel perfecte aso’s.
Niemand zal ons nu nog herkennen.
Maar omdat ik nou eenmaal niet de persoon ernaar ben om over één nacht elfstedenijs te gaan, lopen we nog even ons vaste lunchcafé binnen, ik vraag om de vakantiekaart. We worden er net zo hard weer uitgezet met de hautaine mededeling dat dit geen één of ander inloophuis is, maar een net establishment voor de hooggeplaatste medemens, wij als stelletje zwervers horen daar niet thuis .
”Omhooggevallen stelletje eikels,” roep ik uit voor Aaltje onze vermomming een beetje dom prijsgeeft.
“Kom mee,” zeg ik tegen mijn verongelijkte man, die het niet gewend is om als stuk vuil behandeld te worden. “We hebben nog meer te doen.”
We lopen door een achterbuurt, vallen hier helemaal niet op.
“We gaan Jan blij maken met een bezoekje,” zeg ik tegen mijn man en loop zelfbewust een kraakpand binnen. De verbaasde ‘bewoner’ schrikt zich te pletter wanneer we zomaar bij hem binnenvallen. Hij valt op zijn knieën wanneer hij mij herkent, ware afkomst verloochend zich nou eenmaal niet.
“Alstublieft majesteit, vergeeft u mij mijn huishouden van Jan Steen, ik ben driftig op zoek naar huisvesting en ben al een keer uit een woning gezet omdat volgens buren ik er een chaotische bende van maakte en ik mijn huur niet langer op kon brengen door het genaai van de regering. Ik kon niet langer gebruik maken van mijn sociale rechten. Mijn schulden liepen te hoog op.”
De ogen van de man staan radeloos en ik tast diep in mijn buidel en haal er een flinke hoeveelheid onterechte gouden handdrukken uit.
Met een grote gulle glimlach rijk ik één van hen naar Jan: “Hier, alsjeblieft, doe er wat leuks mee,” en tegen mijn man: ”Ja Aaltje, ook iedere sloopwoning heeft zijn kruisje, maar niet iedereen heeft dezelfde financiële status om de kruizen te dragen. Daar richten we onze nieuwe aanpak op. Een betere verdeling van de gouden handdrukken.”
En zo leven we nog lang en gelukkig in een ware sprookjesmaatschappij.
vrijdag 31 mei 2013
Staande ovatie
Trots en goedkeurend kijk ik naar het resultaat. Geweldig, ik heb mezelf
weer eens overtroffen. En net op de valreep klaar. Kan het beter? Kan
het mooier? Maar nu komt de hamvraag. Zouden de pakken passen. Het is al
even geleden dat ik de maten opgenomen heb. Wellicht zijn de personen
teveel gegroeid, al heb ik hier natuurlijk wel wat rekening mee
gehouden. Voornamelijk stretchstoffen heb ik gebruikt in de naden van
het ene pak, het tweede kostuum heb ik ruim genomen. Dat komt nog beter
tot zijn recht wanneer het een beetje groot uitvalt. Een beetje
gespannen roep ik de ‘cast’ binnen. Eindelijk is het moment suprême
daar. Het ene pak zit als gegoten, ik voel me steeds blijer worden, het
andere pak valt ruim. Precies zoals ik mij voorgesteld had. Het kleine
ventje kijkt me een beetje zenuwachtig aan. Met een bang piepstemmetje
vraagt hij me of zijn pak niet wat te groot is. Glimlachend stel ik hem
gerust: “Precies goed, je ziet er geweldig uit, veel succes straks op
het toneel.” Ik druk hem een kus op zijn bolletje en zet daarna zijn
bijpassend hoofddeksel op zijn hoofd, sla nog even licht de mouwen om.
“En jullie zien er ook schitterend uit, niet van echt te onderscheiden!” Met een bemoedigend klopje op de hals van de voorste, en een liefdevol tikje op de billen van de achterste wens ik de twee jongens in het andere pak ook succes. Daar gaan ze, het toneel op. Het doek gaat op. Tussen de coulissen geniet ik van de verbaasde geluiden uit de zaal.
“Nee…. dit kan niet….. wauw…. wat een fantastische kostuums…..
Vooral dat paard, net echt…. “
Dan volgt een staande ovatie.
“En jullie zien er ook schitterend uit, niet van echt te onderscheiden!” Met een bemoedigend klopje op de hals van de voorste, en een liefdevol tikje op de billen van de achterste wens ik de twee jongens in het andere pak ook succes. Daar gaan ze, het toneel op. Het doek gaat op. Tussen de coulissen geniet ik van de verbaasde geluiden uit de zaal.
“Nee…. dit kan niet….. wauw…. wat een fantastische kostuums…..
Vooral dat paard, net echt…. “
Dan volgt een staande ovatie.
donderdag 9 mei 2013
Een tip aan een oude schoolvriendin
Ze is geen steek veranderd, mijn oude schoolvriendin. Misschien wat
dikker geworden hier en daar, maar wat extra vet op de botten kon ze
best gebruiken. Ik ben haar tegengekomen in het ziekenhuis, in de
wachtkamer van de cardioloog. Mijn man moest zo nodig op controle,
sleepte mij natuurlijk mee en daar zat zij ook. We herkenden elkaar
gelijk, ik haar aan haar haar, dat zag er nog net zo uit dan toen ze in
de schoolbanken voor me zat, zij mij aan mijn hoge gil: “Heeeee.”
Nadat ze klaar is met haar trimprogramma en de fietsproef besluiten we om een kopje koffie te gaan halen in het restauratiegedeelte van het ziekenhuis. Ik bestel een roomboteramandelpunt erbij, zij zegt dat ze aan haar figuur moet denken en neemt alleen een kopje koffie, zonder melk en suiker. Ik maak haar een complimentje over haar mooie oranje outfit en zij vertelt me dat ze thuis een paar bijpassende roodwitblauwe beenwarmers heeft. Ze babbelt wat over haar vrijwilligerswerk en zit nerveus te plukken in het aardappelplantje wat op onze tafel staat. Net als ik daar een opmerking over wil maken stelt ze me de vraag.
“Uh Dana, ik weet niet goed hoe ik erover beginnen moet, maar weet jij nog van die tip? Ik heb hem opgevolgd, maar heb nog steeds geen haargroei daar.”
Ze roert in haar zwarte koffie om zich een houding aan te meten. Ik verslik me in mijn amandelpunt. En of ik dat nog weet, het schaamrood vliegt me gelijk naar mijn kaken.
“Och lieverd, dat was maar een grapje, net zoals dat ik er een permanentje in had laten zetten in Parijs. Ik heb daar nooit stijl haar gehad, de krulletjes zijn puur natuur.”
Ik kan er niet over uit dat ze echt zoals ik haar aangeraden had, met haar kale poes in de koeienmest was gaan zitten.
donderdag 25 april 2013
'Niemand mag het weten', de eerste stappen zijn gezet (deel 2)
“Dana, leuk je te zien,” een stevige prettige handdruk vergezelt de
stem. Geen zoen, gelukkig maar. Omdat ik de eerste schrijfster ben die
gearriveerd is, krijg ik even de gelegenheid om tot rust te komen. Mijn
collegae zullen later komen. Met een big smile neem ik plaats in de
fauteuil, bestel bij een toesnellende ober een koffie, op zijn vraag of
ik nog een speciale koffie wil, geef ik glimlachend antwoord: “Gewone
koffie graag.” Ik voel me vandaag al speciaal genoeg, denk ik erachter
aan. Ik zou wensen dat ik het hardop durf te zeggen, maar voorlopig hou
ik me maar rustig op de achtergrond en geef beleefd antwoord op de
vragen van Sandra. De koffie smaakt, het luxe koekje laat ik nog even
liggen, het kleine glaasje water wat er naast geserveerd wordt laat ik
staan. Het zou eens een kleurloos likeurtje kunnen zijn, ben zo al
wiebelig genoeg. We praten ontspannen met elkaar. Het is alsof ik met
een kennisje gewoon even aan het theeleuten ben. Weliswaar met koffie en
cappuccino, maar een kniesoor die daarop let.
Na een kleine tien minuten komt een vrouw bij de tafel naast de onze vragen of die vrouw die daar zit Sandra Di Bortolo van uitgeverij Fenikso is. Ik al druk zwaaiend naar haar dat ze bij ons moet zijn, maar klaarblijkelijk spreken we elk een andere gebarentaal. Sandra staat dus maar op en trekt als het ware de zoekende vrouw naar de juiste tafel. Het is Lonneke. Logisch, denk ik, ze ziet er ook uit als een Lonneke. Al vrij snel komt nummer drie ook, Ellen ziet er niet echt als een Ellen uit. Ik voel me lichtelijk nietig worden naast die twee goedgebekte tantes collegae. Gaandeweg word ik steeds stiller en luister naar de intelligente vragen van de andere dames. Sandra vertelt wat over de uitgeverij en het boek, de publiciteitscampagne van het vorige boek, over hoe het verder gaat, wat er van ons verwacht wordt, wat over het contract en vraagt ons iets over onze verhalen aan elkaar te vertellen.
Hier sla ik compleet dicht. En ik bedoel niet omdat “Niemand het mag weten”, maar ik weet me geen raad hoe en waar ik moet beginnen te vertellen. Eerst laat ik de andere dames dus ook maar lekker veilig voorgaan en luister geïnteresseerd naar hun verhalen. Intussen panisch zoekend naar woorden waarin ik mijn verhaal zal beschrijven. Van de andere twee verhalen krijg ik niet veel mee. Lonneke praat te zacht om boven het geroezemoes waar de ruimte mee gevuld is uit te komen. Ellen en Sandra schijnen hier geen last van te hebben, dus ik doe het ook maar met die paar woorden die ik wel kan opvangen. Ellen is wat beter te verstaan, maar niet te volgen voor mij. Teveel prikkels bereiken me van alle kanten, daar komt nog bij dat ik bedenken moet hoe ik straks mijn relaas moet doen. Het schaamrood vliegt me naar de kaken, wanneer de drie hun aandacht op mij vestigen.
“Nou Dana, vertel…,”
“Uh,” begin ik, vrij sterk, : “ Ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.”
Heel rustig neemt Sandra het hier van me over. “Het is inderdaad een heel lastig verhaal om te gaan vertellen, zal ik een poging wagen?”
“Graag,” verzucht ik. Wat moeten ze wel niet van me denken. Vol vuur begint Sandra over mijn verhaal te vertellen. Inhoudelijk ga ik hier nu niet op door, tja, “Niemand mag het weten”
Na nog wat vragen van Lonneke over haar eigen verhaal of ze daar geen last mee gaat krijgen bij het gebruik van namen voor bepaalde personages, gaan we de contracten tekenen. Ik zet 10 x een paraaf en één keer een handtekening op het contract wat voor de uitgever bedoeld is, en steek mijn eigen pak papier bij me. We drukken handjes met elkaar, het voelt allemaal heel officieel aan.
Dan komt Sandra met een vraag iets over ons zelf te vertellen, wat we doen in het dagelijks leven, wat we met ons schrijven doen. Weer laat ik de andere twee voorgaan. Ditmaal niet omdat ik niet weet hoe het te vertellen, maar meer om wat ik kwijt wil. Dat is voorlopig nog niet zoveel. Wanneer ik de beurt krijg vertel ik echter toch iets meer, dan ik oorspronkelijk van plan was. Wat?
Nou ja, daar kom ik in een vervolg wel op terug
Wordt dus klaarblijkelijk weer vervolgd
Na een kleine tien minuten komt een vrouw bij de tafel naast de onze vragen of die vrouw die daar zit Sandra Di Bortolo van uitgeverij Fenikso is. Ik al druk zwaaiend naar haar dat ze bij ons moet zijn, maar klaarblijkelijk spreken we elk een andere gebarentaal. Sandra staat dus maar op en trekt als het ware de zoekende vrouw naar de juiste tafel. Het is Lonneke. Logisch, denk ik, ze ziet er ook uit als een Lonneke. Al vrij snel komt nummer drie ook, Ellen ziet er niet echt als een Ellen uit. Ik voel me lichtelijk nietig worden naast die twee goedgebekte tantes collegae. Gaandeweg word ik steeds stiller en luister naar de intelligente vragen van de andere dames. Sandra vertelt wat over de uitgeverij en het boek, de publiciteitscampagne van het vorige boek, over hoe het verder gaat, wat er van ons verwacht wordt, wat over het contract en vraagt ons iets over onze verhalen aan elkaar te vertellen.
Hier sla ik compleet dicht. En ik bedoel niet omdat “Niemand het mag weten”, maar ik weet me geen raad hoe en waar ik moet beginnen te vertellen. Eerst laat ik de andere dames dus ook maar lekker veilig voorgaan en luister geïnteresseerd naar hun verhalen. Intussen panisch zoekend naar woorden waarin ik mijn verhaal zal beschrijven. Van de andere twee verhalen krijg ik niet veel mee. Lonneke praat te zacht om boven het geroezemoes waar de ruimte mee gevuld is uit te komen. Ellen en Sandra schijnen hier geen last van te hebben, dus ik doe het ook maar met die paar woorden die ik wel kan opvangen. Ellen is wat beter te verstaan, maar niet te volgen voor mij. Teveel prikkels bereiken me van alle kanten, daar komt nog bij dat ik bedenken moet hoe ik straks mijn relaas moet doen. Het schaamrood vliegt me naar de kaken, wanneer de drie hun aandacht op mij vestigen.
“Nou Dana, vertel…,”
“Uh,” begin ik, vrij sterk, : “ Ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.”
Heel rustig neemt Sandra het hier van me over. “Het is inderdaad een heel lastig verhaal om te gaan vertellen, zal ik een poging wagen?”
“Graag,” verzucht ik. Wat moeten ze wel niet van me denken. Vol vuur begint Sandra over mijn verhaal te vertellen. Inhoudelijk ga ik hier nu niet op door, tja, “Niemand mag het weten”
Na nog wat vragen van Lonneke over haar eigen verhaal of ze daar geen last mee gaat krijgen bij het gebruik van namen voor bepaalde personages, gaan we de contracten tekenen. Ik zet 10 x een paraaf en één keer een handtekening op het contract wat voor de uitgever bedoeld is, en steek mijn eigen pak papier bij me. We drukken handjes met elkaar, het voelt allemaal heel officieel aan.
Dan komt Sandra met een vraag iets over ons zelf te vertellen, wat we doen in het dagelijks leven, wat we met ons schrijven doen. Weer laat ik de andere twee voorgaan. Ditmaal niet omdat ik niet weet hoe het te vertellen, maar meer om wat ik kwijt wil. Dat is voorlopig nog niet zoveel. Wanneer ik de beurt krijg vertel ik echter toch iets meer, dan ik oorspronkelijk van plan was. Wat?
Nou ja, daar kom ik in een vervolg wel op terug
Wordt dus klaarblijkelijk weer vervolgd
zondag 21 april 2013
'Niemand mag het weten' : De eerste stappen zijn gezet
Een paar fikse petsen op mijn wangen zorgen voor de nodige blosjes. Wat
ministompjes op mijn ogen geven net een vleugje blauwgroene schaduw,
net genoeg. Ik bijt mijn lippen rooddoorbloedend. Mascara heb ik niet
nodig. Mijn natuurlijke uitstraling is toereikend. Gelukkig ben ik niet
doorgegaan met de wens van iemand uit mijn verleden. Ooit heb ik nog een
korte opleiding tot model en mannequin gevolgd. Ik leerde hoe ik me zo
elegant mogelijk moest omdraaien en hoe ik een bril af moest nemen om
een intelligente uitstraling te krijgen. Die opleiding werd nogal wreed
onderbroken door tussenkomst van een aantal hersenbloedinkjes en meer
van dat soort ongein. Gelukkig maar.
Het heeft allemaal zo moeten gebeuren en zo moeten zijn zoals het was. Het had een doel, dat weet ik nu zeker. Ik moest ik worden en mijn eigen dromen nastreven in plaats van die van iemand anders. De egoïste is geboren. Nu denk ik nog wel aan anderen maar óók aan mezelf.
Nog een snelle blik in de spiegel en een bemoedigend knikje van die vrouw die mij aan zit te kijken. Ik ben er klaar voor. Vluchtig controleren of ik alles bij me heb. Medicatie, verschoningen, pen en papier, borstel, telefoon, belangrijke nummers, portemonnee, treinkaartje en reisinformatie. Check, bijna alles is er, nog snel even een korte speurtocht naar mijn verstand, ik kan het in de gauwigheid niet vinden en neem dus maar genoegen met dat beetje zelfvertrouwen wat ik echt nodig heb om de rit goed te doorstaan. Manlief levert me keurig af op het station, hij wenst me succes en drukt me op het hart om vooral goed op mezelf te passen. Met een glimlach probeer ik hem gerust te stellen, maar weet dat ik daarin pas zal slagen bij veilige thuiskomst. De lieverd is tot dan nog geladener dan een hoogspanningskabel. Pure liefde. Gelukkig maar.
De treinreis duurt een half uur. Vroeger heb ik veel op ditzelfde traject gereisd. In mijn beleving is dit de eerste keer. De voorbijtrekkende bomen, huizen, wegen, weilanden, rondhobbelende beesten, alles is nieuw voor me. De wagon is nog niet halfvol. De vrouw waar ik tegenover ga zitten kijkt me afkeurend aan. Ze spreekt haar gedachten niet uit, maar haar gezicht vertaalt haar denkwijze voor me: ‘Waarom ga je niet ergens anders zitten? Er is toch plaats zat?’ Ze moest eens weten dat ik dit enkel en alleen doe om niet onzeker over te komen. Ik had me voorgenomen hoe dan ook, een gesprek in de trein aan te knopen. In plaats van mijn voornemen waar te maken bekijk ik de andere mensen en ontwijk hun blikken, net zoals ze de mijne ontwijken. Ik heb genoeg aan mezelf en meer dan genoeg aan mijn eigen gedachten. Gelukkig maar.
Eenmaal op het station aangekomen stap ik wat aarzelend uit. Het station in Zwolle ziet er zo heel anders uit dan in mijn herinnering, ik moet mij voor een kort moment oriënteren waar ik sta en waar ik naar toe moet. Lukraak kies ik de juiste richting, ’t is nog vroeg, nog niet eens kwart voor twee loop ik langs het Hotel Wientjes. Twee uur heb ik daar een afspraak met uitgeefster Sandra en twee van de negen andere schrijfsters van de bundel ‘Niemand mag het weten’. De ingang is hoog, je moet er een trap voor op, met kloppend hart loop ik verder, de zacht neerkomende regendruppels negerend. “Ik had een plu in mijn tas moeten stoppen,” fluister ik heel zachtjes, daar gaat mijn kapsel. “Ik had naar binnen moeten gaan, niet zolang moeten aarzelen, een trap beklimmen is helemaal niet erg. Ik kan het best, moet me gewoon vast houden aan de leuning. Da’s helemaal niet gek, daar zijn leuningen voor.” Wanneer ik aan het eind van de straat ben draai ik me om en loop langzaam weer de hele weg terug naar het station. Het stopt met regenen. Voor de tweede keer, ditmaal niet lukraak, wandel ik richting mijn afspraak. Ik zie mijn spiegeling in een donker raam, mijn haar ziet er nog redelijk uit. Gelukkig maar.
Acht minuten voor twee duw ik de deur van Hotel Wientjes open, tot zover heb ik het gered. Wat nu? Links, rechts, of rechtdoor?
“Waarmee kan ik u helpen?” De vriendelijke receptioniste achter de balie kijkt me vragend aan. Nu wordt er van mij verwacht dat ik iets terug zeg. Ik stamel uit dat ik een afspraak heb met Sandra Di Bortolo. Wanneer ze zegt dat niemand met die naam zich bij haar gemeld heeft, vraag ik me af of ik de uitspraak wel juist had. Een lichte paniek overvalt me. Ik zit hier toch wel goed? Wat nu als het allemaal enkel in mijn fantasie bestaat. Wat nou als niemand iets weet van het hele gedoe van ‘Niemand mag het weten’?
“Zoekt u maar gewoon even een plaatsje uit. Dan verwijs ik haar wel door, waar gaat u zitten?” De baliemedewerkster blijft geduldig wachten tot ik haar antwoord geef. Ik trek mijn jas uit, hang hem aan de kapstok en denk dan te zeggen dat ik nog een plaats moet zoeken. Loop dan tussen een rij tafels door. Daar achterin, in een knus hoekje met grote fauteuils zie ik een vrouw zitten met donker haar en een bril, zou dat??? Er valt een last van mijn schouders wanneer zij mij ook schijnt te herkennen. De vrouw staat op en geeft me een hand. Ik heb het gered, voor het eerst van de dag ontspan ik een beetje. Gelukkig maar.
Wordt natuurlijk vervolgd
Het heeft allemaal zo moeten gebeuren en zo moeten zijn zoals het was. Het had een doel, dat weet ik nu zeker. Ik moest ik worden en mijn eigen dromen nastreven in plaats van die van iemand anders. De egoïste is geboren. Nu denk ik nog wel aan anderen maar óók aan mezelf.
Nog een snelle blik in de spiegel en een bemoedigend knikje van die vrouw die mij aan zit te kijken. Ik ben er klaar voor. Vluchtig controleren of ik alles bij me heb. Medicatie, verschoningen, pen en papier, borstel, telefoon, belangrijke nummers, portemonnee, treinkaartje en reisinformatie. Check, bijna alles is er, nog snel even een korte speurtocht naar mijn verstand, ik kan het in de gauwigheid niet vinden en neem dus maar genoegen met dat beetje zelfvertrouwen wat ik echt nodig heb om de rit goed te doorstaan. Manlief levert me keurig af op het station, hij wenst me succes en drukt me op het hart om vooral goed op mezelf te passen. Met een glimlach probeer ik hem gerust te stellen, maar weet dat ik daarin pas zal slagen bij veilige thuiskomst. De lieverd is tot dan nog geladener dan een hoogspanningskabel. Pure liefde. Gelukkig maar.
De treinreis duurt een half uur. Vroeger heb ik veel op ditzelfde traject gereisd. In mijn beleving is dit de eerste keer. De voorbijtrekkende bomen, huizen, wegen, weilanden, rondhobbelende beesten, alles is nieuw voor me. De wagon is nog niet halfvol. De vrouw waar ik tegenover ga zitten kijkt me afkeurend aan. Ze spreekt haar gedachten niet uit, maar haar gezicht vertaalt haar denkwijze voor me: ‘Waarom ga je niet ergens anders zitten? Er is toch plaats zat?’ Ze moest eens weten dat ik dit enkel en alleen doe om niet onzeker over te komen. Ik had me voorgenomen hoe dan ook, een gesprek in de trein aan te knopen. In plaats van mijn voornemen waar te maken bekijk ik de andere mensen en ontwijk hun blikken, net zoals ze de mijne ontwijken. Ik heb genoeg aan mezelf en meer dan genoeg aan mijn eigen gedachten. Gelukkig maar.
Eenmaal op het station aangekomen stap ik wat aarzelend uit. Het station in Zwolle ziet er zo heel anders uit dan in mijn herinnering, ik moet mij voor een kort moment oriënteren waar ik sta en waar ik naar toe moet. Lukraak kies ik de juiste richting, ’t is nog vroeg, nog niet eens kwart voor twee loop ik langs het Hotel Wientjes. Twee uur heb ik daar een afspraak met uitgeefster Sandra en twee van de negen andere schrijfsters van de bundel ‘Niemand mag het weten’. De ingang is hoog, je moet er een trap voor op, met kloppend hart loop ik verder, de zacht neerkomende regendruppels negerend. “Ik had een plu in mijn tas moeten stoppen,” fluister ik heel zachtjes, daar gaat mijn kapsel. “Ik had naar binnen moeten gaan, niet zolang moeten aarzelen, een trap beklimmen is helemaal niet erg. Ik kan het best, moet me gewoon vast houden aan de leuning. Da’s helemaal niet gek, daar zijn leuningen voor.” Wanneer ik aan het eind van de straat ben draai ik me om en loop langzaam weer de hele weg terug naar het station. Het stopt met regenen. Voor de tweede keer, ditmaal niet lukraak, wandel ik richting mijn afspraak. Ik zie mijn spiegeling in een donker raam, mijn haar ziet er nog redelijk uit. Gelukkig maar.
Acht minuten voor twee duw ik de deur van Hotel Wientjes open, tot zover heb ik het gered. Wat nu? Links, rechts, of rechtdoor?
“Waarmee kan ik u helpen?” De vriendelijke receptioniste achter de balie kijkt me vragend aan. Nu wordt er van mij verwacht dat ik iets terug zeg. Ik stamel uit dat ik een afspraak heb met Sandra Di Bortolo. Wanneer ze zegt dat niemand met die naam zich bij haar gemeld heeft, vraag ik me af of ik de uitspraak wel juist had. Een lichte paniek overvalt me. Ik zit hier toch wel goed? Wat nu als het allemaal enkel in mijn fantasie bestaat. Wat nou als niemand iets weet van het hele gedoe van ‘Niemand mag het weten’?
“Zoekt u maar gewoon even een plaatsje uit. Dan verwijs ik haar wel door, waar gaat u zitten?” De baliemedewerkster blijft geduldig wachten tot ik haar antwoord geef. Ik trek mijn jas uit, hang hem aan de kapstok en denk dan te zeggen dat ik nog een plaats moet zoeken. Loop dan tussen een rij tafels door. Daar achterin, in een knus hoekje met grote fauteuils zie ik een vrouw zitten met donker haar en een bril, zou dat??? Er valt een last van mijn schouders wanneer zij mij ook schijnt te herkennen. De vrouw staat op en geeft me een hand. Ik heb het gered, voor het eerst van de dag ontspan ik een beetje. Gelukkig maar.
Wordt natuurlijk vervolgd
maandag 8 april 2013
Niemand mag het weten... en toch...
Het is begin april, al eventjes, vanaf de eerst van deze maand heb ik mijn mailbox heel goed in de gaten gehouden, vol spanning. Waarop zat ik zo nerveus te wachten? Op tot ik de lang verwachte verlossende woorden zou lezen: Helaas, je verhaal is niet door de strenge jury selectie gekomen
Vandaag was het dan eindelijk zover, in mijn mailbox verscheen een bericht van Sandra, dir. uitgeverij Fenikso. Eerst wou ik de droom nog even rekken, maar uiteindelijk klikte ik het bericht aan en de droom lek.
Hè, wat is dat nou? Wat lees ik daar? Tot mijn grote schrik en verbazing? Helemaal wit weggetrokken, zat ik even roerloos de tekst tot me door te laten dringen.
"Ook dat nog, ook dat nog, het is toch niet te geloven!" Op mijn verdwaasde vertwijfelde uitroepen kwam mijn man vragen wat er zo dramatisch ergs was gebeurd.
"Ik ben door," bracht ik met een benepen piepstemmetje uit.
Langzaam druppelden de eerste felicitaties binnen en nu pas durf ik me een beetje blij te voelen. Natuurlijk zie ik er geweldig tegenop. Maar dat gaat vast wel goed komen. Voorzichtigjes aan jubel ik nu nog bescheiden, maar niet minder gemeend HOERA.
"Niemand mag het weten" is de naam van een bundel die in dit najaar uitgegeven wordt. Mijn verhaal komt samen met 9 andere verhalen van ongeveer 5000 woorden in het boek. De cover met daarop de namen van alle schrijvers vermeld, is al ontworpen.
Vandaag was het dan eindelijk zover, in mijn mailbox verscheen een bericht van Sandra, dir. uitgeverij Fenikso. Eerst wou ik de droom nog even rekken, maar uiteindelijk klikte ik het bericht aan en de droom lek.
Hè, wat is dat nou? Wat lees ik daar? Tot mijn grote schrik en verbazing? Helemaal wit weggetrokken, zat ik even roerloos de tekst tot me door te laten dringen.
"Ook dat nog, ook dat nog, het is toch niet te geloven!" Op mijn verdwaasde vertwijfelde uitroepen kwam mijn man vragen wat er zo dramatisch ergs was gebeurd.
"Ik ben door," bracht ik met een benepen piepstemmetje uit.
Langzaam druppelden de eerste felicitaties binnen en nu pas durf ik me een beetje blij te voelen. Natuurlijk zie ik er geweldig tegenop. Maar dat gaat vast wel goed komen. Voorzichtigjes aan jubel ik nu nog bescheiden, maar niet minder gemeend HOERA.
"Niemand mag het weten" is de naam van een bundel die in dit najaar uitgegeven wordt. Mijn verhaal komt samen met 9 andere verhalen van ongeveer 5000 woorden in het boek. De cover met daarop de namen van alle schrijvers vermeld, is al ontworpen.
vrijdag 29 maart 2013
De kei
Geschreven voor een kei van een vrouw
Moed houden
wij zijn bij je
willen je steunen
door dik, zelfs door dun
Je bent een sterke vrouw
Je laat je niet kennen
Gaat er echt niet aan onderdoor
Ach kom nou
Nee niet jij
Jij bent altijd een rots
Kan elke storm aan
Breekt nooit door midden
Blijft zoals het een
ware kanjer betaamd
immer fier rechtop staan
Al beukt het leven
nog zo hard
en stevig als ’t maar kan
tegen je aan
jij kan het immer an
Geen ziekte krijgt je klein
geen kwade cellen
geen suiker
of welk ander gebrek dan ook
maakt je gek
Maar
dit is een ware leugen
het grootst bedrog ter wereld
want
je bent ook maar een mens
hoe geweldig ook
hoe sterk
hoe krachtig
en hoe prachtig
immer met een grap en grol
met goede raad, vooral vaak gratis
vrolijk vrij en blij
en ook niet bang
om iemand de waarheid te vertellen
als hij of zij daar beter van wordt
je kan met je lachen
maar ook huilen
je zegt altijd waar het op staat
dus ook
in mindere tijden
geef je toe:
“ik weet het ook even niet meer
hoe ik het geluk nu in kan passen
het hoeft van mij niet langer
ik ben op
nee, ik word echt niet banger
maar ben aan het eind gekomen
aan het eind van mijn kunnen
mijn geluk is op
wil het aan een ander gunnen”
Lieve Leen,
wanneer je wil
pak het recht
staak het gevecht
zoals elk mens
Bereik ook jij eens je grens
xxx
© Dana Martens
zondag 24 maart 2013
Minnaar meegeleverd ...
In staat van opwinding zit ik vandaag te wachten op
de komst van het pakket. Weldra zou ik doorhebben of mijn verwachtingspatroon
reëel zou zijn of op een luchtkasteel gefundeerd is. Wellicht ben ik de
zoveelste snoodaard die in het verkooppraatje van de geslepen colporteur is
getrapt. Met wijd opengesperde ogen had
ik blind geloofd dat dit product mij hemelse voldoening zou geven. Gretig had ik gelijk
hongerig toegehapt. De weldaad die hij beschreef, stond mij wel aan. Op
magische wijze zouden mijn ruggengraat en gewrichten in hun natuurlijke positie
de welverdiende rust gunnen. De drukverlagende en temperatuurgevoelige
eigenschappen van het in 7-zones geprofileerde traagschuim stonden garant voor
een zaligmakende nacht. De unieke
technologie van de ClimaBest Protector zou als klap op de vuurpijl zorgen voor
een optimale ventilatie en anti allergische werking. “U kunt dus genieten van
een ongestoorde nachtrust,”sloot hij zijn promotieratel af. Ik zou de nacht der
nachten hebben en totaal als een herboren mens weer opstaan. In die
veelbelovende hemel, wou ik ook wel eens een kijkje nemen. Ik stak er graag
mijn vakantiegeld in.
Over erotiek had hij niets gezegd. Hoe lang geleden
was het niet voor mij geweest dat ik die complete seksuele geneugtes had
beleefd. De gedachte was niet eens bij mij opgekomen. Had ik mezelf
gerealiseerd dat ik nog in staat zou zijn om dat kriebelende gevoel in mijn
onderbuik te voelen, dan was het misschien nog denkbaar geweest dat ik hier enigszins
naar geïnformeerd had. “Hoe staat het met de wilde nachten. Is het matras wel
bestendig tegen explosieve uitbarstingen?” prevel ik zachtjes. Te laat, veel te
laat.
Er stopt een bestelbusje voor mijn huis, pal voor
mijn deur. De blonde god die eruit stapt is een extraatje, bij het matras geleverd.
Wat een lijf, wat een uitstraling. Geen overdadige vieze spiermassa, maar een perfect
geproportioneerd lichaam. Gemaakt om seksuele genoegdoening te bezorgen. Ik
snel me naar de deur en met een graagte die ik lange tijd niet gevoeld heb,
laat ik de seksbom binnen. “Uw hemelse matras, waar wilt u het hebben?”
Lichtelijk kwijlend laat ik hem voorgaan, de trap op, de slaapkamer in. Voor
het eerst sinds lange tijd voel ik mijn slip vochtig worden door wat anders dan
het inmiddels mij zo bekende incontinentie probleem. Zijn glimlach maakt me
week en ik geef in trance antwoord op de vraag hoe laat ik naar bed ga. “Dan
wens ik u fantastische uren na tienen, maak het bed met zorg en liefde op en ik
laat mezelf wel uit.” Voor ik enig versierpoging op hem losgelaten heb is hij
weer naar beneden gelopen. Ik hoor hoe hij de deur achter zich in het slot
trekt. Gemiste kans.
Ik verheug me op de nacht die komen gaat. Kan bijna
niet wachten. De uren lijken deze dag nog meer dan andere dagen pijnlijk
vooruit te kruipen. Wanneer ik eenmaal tussen de lakens lig bedenk ik me dat ik
de voordeur vergeten ben op de haak te zetten. Kreunend doe ik mijn ogen dicht,
net nu ik zo lekker lig… Zal ik er nog uitgaan?
Het
morrelend geluid van een sleutel die moeite heeft om het slot te vinden, doet
me de oren spitsen. Is dat hier? Is dat in mijn huis? Bewegingloos blijf ik
liggen, mijn adem inhoudend om vooral niets van de geluiden te hoeven missen.
Griezels, het is hier, klos klos, iemand komt de trap oplopen, de deur van mijn
slaapkamer gaat piepend open. Zonder wat te zeggen komt hij op me af. Mijn hart
gaat als een razende tekeer. Mijn mond voelt kurkdroog aan, slikken lukt niet. Paniek
slaat toe, ik ben totaal niet in staat om me te verweren. Verlamd en niet
alleen van angst. Herken ik daar vaag de blonde hemelbezorger van die ochtend?
Ik wil hem vragen wat hij hier komt doen. Er komt geen geluid uit mijn mond.
Zijn handen strelen mijn huid, de vingers gaan op onderzoek naar erotisch
prikkelende reactie. Het blijft uit. Ik merk zijn tedere aanrakingen niet. Zijn
vakkundig pogen mij naar een hoogtepunt te brengen loopt uit op een deceptie.
Als een zombie lig ik daar. Wanhopig zoekend naar een manier om van zijn
onverwachtse nachtelijke bezoek intens te kunnen genieten. Nee, schreeuw ik van
binnen, nee, niet weer, niet opnieuw. Mijn ergste nachtmerrie wordt
werkelijkheid. Verlamd van top tot teen, niets kunnen bewegen, niets kunnen
voelen, geen pijn… maar ook geen genot. Tranen komen uit mijn ogen rollen, het
vermengd zich met het zweet uit de poriën van mijn huid. Het absorberend
vermogen van het matras redt me van verdrinkingsdood. Verlangen naar gevoel
overstijgt het verlangen naar bewegen. Uiteindelijk berust ik in mijn lot en
sluit de ogen. Ik kan het niet aan
om zijn teleurstelling ook nog
eens te bemerken. Vermoeid val ik bewegingloos in slaap.
Trrrrrr trrrrrrr. De wekker verlost mij uit mijn
lijden. Gelijk voel ik scherpe steken in mijn enkel, mijn hele been staat
figuurlijk in lichterlaaie, mijn arm prikt, mijn hele lijf voelt stram en stijf.
Gelukkig, denk ik, het was maar een droom. Dankbaar draai ik me op mijn zij en
duw ik met mijn hand mezelf omhoog. Precies zoals ik het iedere ochtend doe. Wat
geniet ik van mijn kunnen voelen, al zijn het helse pijnen, heerlijk vind ik
het mijn lijf weer te ervaren, weer te kunnen bewegen, weer prikkels waar te
kunnen nemen. Met het motto voelen is fijn leer ik ook pijn te waarderen. Toch
kan ik het niet helpen dat ik soms wens weg te kunnen dromen in een wereld waar
ik vrij kan bewegen zonder hierbij pijn te voelen, dat zou pas het ware hemelse
genot voor me zijn.
Eerst maar eens de matrassenzaak bellen om mijn
grieven kenbaar te maken, de beloofde zaligmakende nacht heb ik niet beleefd.
Het matras kan weer opgehaald worden. Ditmaal ben ik voorbereid en laat ik de
bezorger, annex seksbom me niet ontglippen.
© Dana Martens
dinsdag 19 februari 2013
In dromen verscholen
Hoe kan je in gedachten ver weg dromen van
waar je mee bezig bent op dat moment. Dit gevoel kreeg ik bij het zien
van deze afbeelding.
….
….
Met de ogen stijf geslotenzelfs mijn armen er nog overheen
bedenk ik me waar ik ben gebleven
ik voel me zo verdomd alleen
Waar heeft hij zich toch verscholen
ik moet hem vinden, hoe dan ook
wegdromend denk ik aan vroeger
ik weet nog heel goed hoe hij rook
Hij mocht zo graag met mij spelen
wat heeft hij me veel geleerd
alle kunstjes, alle kneepjes
nooit heeft hij me toen bezeerd
Ik verstopte mijn gevoelens
hij zocht ze op, net zo lang
tot ik het verschuilen staakte
en uit mijn schulp tevoorschijn kwam
Nu niet wegglijden in vroeger
wat geweest is is geweest
Bij de tijd moet ik nu blijven
heden is het grote feest
Hoeveel pakjes zou ik krijgen
acht, negen, misschien wel tien
O ja, ik weet weer waar ik was gebleven
wie niet weg is is gezien
Ik kòòòm
© Dana Martens
maandag 18 februari 2013
Sluipmoordenaar
De sluipmoordenaar, pakt hem en haar, geen verschil tussen jong en oud, goed of fout.
Mijn gehate moordenaar is met geen valsheid en gemene woorden te bestrijden. Listig zinspelen helpt niet, wie met hem te maken krijgt, kan alleen nog maar vechten, soms tot de dood erop volgt, soms met een enkele overwinning tussendoor. Maar hij blijft je toch achtervolgen en steekt van tijd tot tijd de kop weer op.
Slopende sluipmoordenaar
Buiten proporties pijnlijk
bedrieglijk boosaardig
misdadig, inhumaan
erbarmelijk kwaadaardig.
Geliefden moe gestreden
verteerd me zo met nijd,
door verlies in verleden
groeit haat met de tijd.
Verziekt verteerd verwrongen
er is geen uitweg meer
Diep binnengedrongen
gezwel groeit gruwend zeer
Opgeven afgedwongen
nee, niet opnieuw, niet weer.
Sterker dan een stalker
slopend sluipmoordenaar
Woedende wraak is zinloos
Zag het al bij zo velen;
Ze werden moedeloos
Angst slaat om in afkeer,
het bange om in boos,
mijn vrees verwordt in vechtlust.
Vernietigend gezwel.
vernederd me tot spugen
verkankert heel mijn lijf
verslaat mijn ingewanden.
Vernietigen wil ik je,
vernederend bespugen,
verkankerend uitschelden,
verslaan met al wat rest.
Bitter geleden, moe gestreden
veel geleerd en weer is ‘t gelukt
krankzinnig buiten zinnen
om dit kwaadaardig kanker gezwel
tot de volgende keer
te overwinnen.
Mijn gehate moordenaar is met geen valsheid en gemene woorden te bestrijden. Listig zinspelen helpt niet, wie met hem te maken krijgt, kan alleen nog maar vechten, soms tot de dood erop volgt, soms met een enkele overwinning tussendoor. Maar hij blijft je toch achtervolgen en steekt van tijd tot tijd de kop weer op.
Slopende sluipmoordenaar
Buiten proporties pijnlijk
bedrieglijk boosaardig
misdadig, inhumaan
erbarmelijk kwaadaardig.
Geliefden moe gestreden
verteerd me zo met nijd,
door verlies in verleden
groeit haat met de tijd.
Verziekt verteerd verwrongen
er is geen uitweg meer
Diep binnengedrongen
gezwel groeit gruwend zeer
Opgeven afgedwongen
nee, niet opnieuw, niet weer.
Sterker dan een stalker
slopend sluipmoordenaar
Woedende wraak is zinloos
Zag het al bij zo velen;
Ze werden moedeloos
Angst slaat om in afkeer,
het bange om in boos,
mijn vrees verwordt in vechtlust.
Vernietigend gezwel.
vernederd me tot spugen
verkankert heel mijn lijf
verslaat mijn ingewanden.
Vernietigen wil ik je,
vernederend bespugen,
verkankerend uitschelden,
verslaan met al wat rest.
Bitter geleden, moe gestreden
veel geleerd en weer is ‘t gelukt
krankzinnig buiten zinnen
om dit kwaadaardig kanker gezwel
tot de volgende keer
te overwinnen.
Abonneren op:
Posts (Atom)




