vrijdag 31 januari 2014

De bui der ellende die overdreef

Voor de januariuitdaging van schrijvelarij geschreven met  steekwoorden van Roelande:

Regenbui, tube lijm, theepot, uithangbord, luidspreker, placemat, bankstel, boeket, huurschuld, snijmachine

 

Het enige waar Victoria met smart op zit te wachten is een regenbui. Die zou misschien in staat zijn om haar ellende weg te spoelen. Ze heeft het al geprobeerd te repareren met een tube lijm. Het was onbegonnen werk. Een kapot gevallen theepot zou misschien lukken, de scherven van haar stuk gevallen leven ermee lijmen, lukte niet.

Een traan glijdt over haar wang wanneer ze nog een laatste blik werpt op het uithangbord met de tekst, DE ENIGE ECHTE en daaronder een zootje zoeltjes.

"Het zal me een worst zijn" zegt ze hardop in een wanhopige poging onverschillig te klinken. De snijmachine was de druppel geweest, toen ze die verpand had om een deel van haar huurschuld mee af te lossen had ze zichzelf flink in de vingers gesneden. Zonder degelijk gereedschap kon ze de worstenmakerij niet open houden. Victoria dacht de klus handmatig te kunnen klaren, maar de messen waren te bot geweest, ze had ze te lang verwaarloosd en was voor de charmes van de vooruitgang gevallen.

"Een buil ben ik me gevallen", fluistert de vrouw, terugdenkend aan de tijd dat de slager nog een ambacht was. Hoe had ze zich toch in vredesnaam zo kunnen laten verleiden door de modernisatie.

Ze had zich zo vergist. Zich in laten pakken door een boeket bloemen, waarmee de vertegenwoordiger van het meest geavanceerde slagersgerei  aan kwam zetten. Bedwelmd door de zoete geuren was het vieze luchtje haar ontgaan, ze was er doodleuk ingestonken. Of had ze zich laten misleiden door de zachte kussens van zijn bankstel. Ze was er finaal in weggezonken, hij had haar overrompeld door zijn eigen kussen, die vlinders in haar buik deden rond dwarrelen. Het was een roze wolk geweest, waarop ze had gezeten.

Onder het open raam van haar flatje had de charlatan  haar een serenade gebracht. Hij had gejoeld door een luidspreker en haar de liefste van het heelal genoemd.

 

De tekst van het lied dreunt nu nog na in haar hoofd.

Ik wil een placemat met je delen

samen smullen van één gehaktbal

ik wil je met mijn zoenen strelen

je bent de liefste van het heelal

ik had het nooit verwacht

je hebt mijn hart geslacht

 

Zijn hart was het niet die geslacht werd. Het is nu haar hart wat hij vermorzeld heeft. Tot Victoria die megabestelling bij hem geplaatst had was zij zijn grote liefde geweest. Toen er niets meer aan haar te verdienen was, had hij zijn luidspreker onder het raampje van de bakkersvrouw verplaatst.

De samenpakkende wolken zijn allang niet meer roze. Donker dreigend van kleur zijn ze. Zal daar een stortvloed uit voortkomen? Ze kijkt naar de spiegeling in het water van de ondergaande zon.

De wolken drijven over, de lucht wordt zwart. Regen blijft uit. Ze snikt. De hoop op zonneschijn na de regen is haar dus ook niet gegund. Zo blijft ze de hele nacht zitten aan de rand van het meer tot de dageraad weer aanvangt.

"Wat de zon kan, kan ik ook!"

De zon komt op.

Victoria komt eveneens  op, voor haarzelf, Regen heeft ze niet meer nodig. Ze verdrinkt niet langer in haar verdriet. De  scherven van haar gebroken relatie zijn het treuren niet waard. Het slagersmes zal ze niet meer aanraken maar het heft van haar leven neemt ze wel weer opnieuw in handen. De andere kant van het mes is ook vlijmscherp en nog heel goed bruikbaar.  Het wordt tijd voor haar om een ander pad in te slaan.
 

Het verzopen katje wat dacht misbruikt te worden

Met een dikke vette zelfspottende knipoog geschreven voor de januariuitdaging van schrijvelarij met steekwoorden van Chantal.

 
 
 
 
 
Hij kijkt me meewarig aan.

 "Daantje, Daantje", een zucht onderstreept de ernst van zijn woorden. Ik was overvallen door een regenbui en toen ik de modderplassen wilde ontlopen stapte ik pardoes in een berg hondenpoep. Ik voelde me als een verzopen katje en vond mezelf superzielig. Het was alsof hij mijn enige redding was en ik werd al onpasselijk bij de gedachte eraan. Waarom was het kattenluikje dan ook niet groter, kon ik daardoor naar binnen, in plaats van hier noodgedwongen aan te moeten bellen.

Hij neemt me op van onder tot boven en trekt zijn neus op.

" Wacht hier maar even."

Hij gaat zeker geen handdoek halen, denk ik. De uitzuiger. Hij wil vast hier een slaatje uit slaan. De man is op de hoogte van mijn financiële situatie, weet dat ik in geldnood zit. Waarom heb ik ook uitgerekend hier aangebeld? De griezel achtervolgt me al een tijdje.  Wanneer hij maar niet met me naar bed wil. Allerlei doemscenario's passeren de revue. In mijn gedachten  zie ik hem al terugkeren met een assortiment smaakjescondooms waaruit ik mijn keuze mag maken, aardbei, banaan, sinaasappel...  alvorens het echte wippen gaat beginnen.

"Daantje, daantje, trek je kleren maar uit!"

Ik krijg meteen kromme tenen.

"Ja, je vat nog kou in die natte plunje, het is hier warm zat om in je ondergoed te zitten." Hij grijnst van oor tot oor en reikt me een badlaken aan om me af te drogen. Enigszins beschaamd trek ik mijn natte kloffie uit, ros mijn haren droog en volg de man naar een kamer waar het inderdaad behaaglijk warm is.

"Wat is je favoriet, aardbei of een andere smaak?"

Zie je wel, daar heb je het al, denk ik terwijl ik aan de placemat die op tafel lig frunnik aangezien ik niet weet waar ik met mijn handen naar toe moet.

"Nou?" , hij verwacht echt een antwoord.

"Wanneer je dat liever hebt, heb ik ook wel gewone. Maar dacht dat vrouwen altijd de voorkeur gaven aan smaakjes. Ik heb ook wel kruidenthee."

Om mijn misvatting te verbergen vraag ik maar of hij ook koffie heeft. Intussen dwalen mijn ogen de ruimte rond. Wat een bijzondere kamer is dit. Het ademt een griezelige sfeer uit en gek genoeg ook een rustgevende. Mijn blik valt op een wand vol boeken.

"Neem plaats", zegt mijn gastheer: "Ik moet je wat bekennen."

Terwijl ik ga zitten op een stoel met grappige leuningen kom ik langzamerhand tot de ontdekking dat dit geen gewone stalker is.

"Daantje, ik volg je al een tijdje en ik zat te wachten op het geschikte moment waarop ik je kon vertellen en laten zien wat ik voorbereid heb. Ik ben helemaal ondersteboven van je, een fan geworden en ik denk een oplossing te hebben voor je geldproblemen. Je bent een goudmijntje."

Als ik het niet dacht, zie je wel, hij wil me betalen voor mijn diensten, me mogelijk verhuren, in ieder geval geld aan me verdienen. Er loopt een rilling over mijn ruggengraat, Ik voel me niet echt op mijn gemak in mijn nauw aansluitende korset.

"Hier, lees zelf maar," de man drukt een boek tussen de armleuningen in, ik voel me gevangen en kan niet anders dan lezen.

Al lezende sperren mijn ogen steeds verder open. Dit kan niet. Dit is te bizar. Ik lees en lees, het ene korte verhaal na het andere. Stuk voor stuk een beetje merkwaardig, sommige een tikje romantisch, maar wel met een spottende ondertoon, onwerkelijke verhalen, vreemde uitlatingen, bizar, zot, te raar, soms eng, maar allemaal hebben ze één ding gemeen. Ze zijn uit mijn brein ontsproten.

Wanneer ik uitgelezen ben kijk ik hem vragend aan.

"Ja, ik heb ze gebundeld. Al je verhalen die je geschreven hebt voor schrijvelarij. Je fantasie is goud waard Daantje."  
 

donderdag 30 januari 2014

De charmes van Ursula Bolcom

Januariuitdaging schrijvelarij , met speciale dank aan Roelande voor haar stimulerende woorden

 

Verdorie, dat is toch geen porum, die afgekloven stompjes. Ze moeten bijgewerkt worden en weer kan ik mijn nagelvijl nergens vinden, die stomme hond van me zit er vast weer achter. Altijd probeert hij roet in het eten te gooien wanneer we op stap moeten. Dan maar die lange glanzend satijnen handschoenen uit de kast halen. Het staat fantastisch  bij de rest van mijn outfit  en ik hoef mijn nagels niet te  lakken, die verfkwast kan ik dus ook mooi met rust laten. Ik fluit op mijn vingers om Dog bij me te roepen. Tover hem gelijk om tot God, nou ja, ik kan er ook niets aan doen. Ben nu eenmaal een fervent liefhebber van het anagram.  En Dog ziet er hemels uit als hij de metamorfose ondergaan heeft. Dus de nieuwe naam, is zo gek nog niet. 

"Ja, ja", zeg ik tegen de treurig kijkende hondenkop: "Je hebt hier een gruwelhekel aan, maar van lucht en liefde alleen leef je niet lang. We moeten wel aan de bak en 't is nou eenmaal de tol die we moeten betalen voor het regelmatig verschijnen op de beeldbuis. Iedereen kent ons, men is veel te terughoudend en op hun hoede."

Het lastigst zijn de oren, dat vergt veel geduld  om die onder de siliconenlatex te verstoppen, ik pruts net zolang tot het goed zit. Strak in het 'pak'. Een dun elegant halsbandje completeert het geheel.

"Zo oude jongen. Je bent er ook weer klaar voor."

Nou nog even de verfkwast over het brik in de garage halen, de cirkelzaag ter hand nemen om het bovenste deel te verwijderen en ons vervoermiddel is er ook weer voor aangepast.

 

Voor het geval mijn tomtom weer eens kuren vertoont, stop ik een routekaart in het handschoenen vakje van de recent ontstane cabrio.

"Bij de volgende kandelaar rechtsaf, bij de volgende kandelaar rechtsaf", klinkt gelijk de blikken stem. Ja, zie je wel, kuren... Nergens een kandelaar te bekennen,  moet ik nu bij een stoplicht of een lantaarnpaal rechtsaf?

De kaart er maar bijpakken om nog meer verwarring te voorkomen. O nee, een grote chocolademelkvlek is uitgelopen  over het grootste deel van de uitgestippelde route.  Een zachte vloek komt er over mijn lippen. De afkeurende blik van het hemelse schepsel wat naast me zit brengt me meteen weer op het rechte pad. Puur op richtingsgevoel vervolg ik mijn weg en even later stop ik voor het truckerscafé.

Hier moet ik zijn, ik stap uit en loop zelfverzekerd op mijn high heels naar binnen.

"Mag ik van u een kopje bosbessenthee met een schijfje limoen?", vraag ik met een verdraaide stem aan de man achter de bar.

"We zijn goddomme geen theeleutenzakie, wie denk je wel dat je bent wijfie?"

Mijn hond spits gelijk verontwaardigd zijn oren wanneer hij de barman zulke taal hoort uitslaan.

Koeltjes steek ik mijn gehandschoende klauw uit naar de man: "Ik ben Ursula Bolcom, schenk me anders maar een cognacje  in. Maar wel eentje met klasse, heb je  Courvousier? "  

 

De man negeert mijn hand en achter me hoor ik iemand giechelend 'bol punt commm' zingen. Ik weet dat ik het ijs gebroken heb met mijn gefingeerde naam en met een flinke bel Cognac schuif ik even later aan bij de stamtafel, alwaar ik alles te weten kom wat ik maar wil, dankzij de charmes van U. Bolcom. En uiteraard hoef ik mijn rekening niet te betalen, de genuttigde drankjes worden me allemaal aangeboden door de truckers. Zelfs hun wisselgeld schuiven ze mij toe. Tevreden verlaat ik later café. Een waggelende hond achter me aanslepend, in onbewaakte ogenblikken heb ik alle glazen cognac onder de tafel gehouden alwaar ze als hemelwater werden opgeslobberd. Zelf moest ik nuchter blijven.

 

Thuis schop  ik mijn highheels  uit, laat ik het flatteuze jurkje  op de grond glijden, doe mijn oude vertrouwde regenjas even aan en verlos ik mijn hond uit zijn 'kostuum' . Ik schenk mezelf nog een slaapmutsje in en steek een dikke sigaar op.

 
 



De liefde vergiftigd

 Voor de januariuitdaging van Schrijvelarij geschreven met dank aan Geraldine voor haar steekwoorden
 

Al een tijdje was ik heimelijk verliefd op haar. Zij zag me niet staan. Ze had alleen maar oog voor die andere buitenlander. Eentje met een Turkse waterpijp, een belachelijk groot exemplaar. Wat zag ze toch in hem, hij stonk uit zijn bek en droeg niet eens fatsoenlijke schoenen, altijd maar op die muiltjes. Ik vond het meer een mietje dan een man. Maar mietjes hadden tenminste nog het fatsoen om een frisse mondspray te gebruiken. Hij niet, hij kende geen manieren en was een viespeuk eerste klas. De man stond hinderlijk veel tussen mij en mijn droomvrouw in. Hij moest uit de weg geruimd worden. Hoe dan ook.

Mij was ter ore gekomen dat hij aan gehaktverslaving leed. Dat was misschien een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen. Mijn fantasie ging al op de loop met me, ik zou de troostende schouder bieden aan mijn engel. Van het één zou het ander komen en we zouden hemelse tijden beleven.

Dus aan de slag. Kokkerellen was mijn tweede natuur. Al snel hingen er in mijn keuken heerlijke geuren van speciaal gekruide gehaktballen. In één van de ballen deed ik versgemalen braaknoot en als extraatje verstopte ik er ook een  chloortablet in, zo'n kingsize model. Ha, dacht ik, helpt hem gelijk van zijn slechte adem af. Wel een beetje rigoureus, ik geef het toe, maar in liefde en oorlog is alles geoorloofd.

 

Op het grote braderiefeest waar al  tal van vreetkraampjes stonden stal ik mijn lekkernijen uit. Het kaartje 'gratis balproeven' zet ik alleen neer  wanneer  mijn rivaal langs komt. Ik zou wel zorgen dat de juiste bal bij de juiste persoon terecht kwam.

Met kloppend hart zit ik te wachten en ja hoor, daar zie ik ze al. Mijn toekomstige geliefde loopt nu nog gearmd met dat smerige aanhangsel. Daar zal spoedig verandering in komen. Ze lopen recht op mijn kraam af. Snel zet ik het kaartje voor de gehaktballen. En wanneer hij net een gehaktbal wil pakken duw ik hem de speciale onder zijn neus. Hij lacht zijn tanden bloot. Smerige tanden, die best wat bleekmiddel kunnen gebruiken, denk ik. Neemt een fikse hap uit de bal en kauwt smakelijk verder.

De rat, denk ik, hij is er resistent voor. Dan schrik ik me het apezuur. Mijn rivaal laat mijn droomengel ook een hap uit zijn bal nemen. Ze rolt met haar ogen en ik snel op haar toe. Ze weert me af en roept hysterisch dat ze nog liever een knuffel krijgt van de verschrikkelijke sneeuwman dan nog meer van mijn walgelijke gehakt te hoeven eten. Dat zijn haar laatste woorden.  Ze krimpt  ineen.

Angst knijpt mijn keel af wanneer het besef tot me doordringt.  Tegen beter weten in kniel ik bij het ineen gedoken lichaam neer.  Met een snikkend: "Het spijt me" duw ik mijn lippen op de hare. Restanten van het gif vermengd met haar speeksel slik ik door. Glittersterretjes omlijst met hemelse muziekklanken waren rond onze hoofden. De kus des doods voert ons beide naar hogere sferen, maar de sleutel naar haar hart hangt aan de onzichtbare poort  die ons voor de rest van onze dood scheidt.


woensdag 22 januari 2014

Psychische nood

Voor de januariuitdaging van schrijvelarij geschreven met dank aan Matti voor haar steekwoorden


Het is begonnen met kattenpis. De stank, ik kon er niet tegen, emmers met zeepsop waren nog niet toereikend om de penetrante geur weg te krijgen. Ik zag ze overal op straat rondlopen, die beesten, de staart omhoog en sproeien maar. Walgelijk. Ja, zij zijn de grote schuldigen. Door hun kom ik de drempel niet meer over. Ik weet het zeker.

Hoe langer ik binnen blijf, hoe groter de stap, de sprong... ik durf hem niet meer te wagen. Laf als ik ben, ik herken mezelf niet meer. Er vormt zich een muur tussen mij en de buitenwereld. Ik zie steeds meer beren buiten, nog maar te zwijgen van de muggen. Elke mug wordt door mijn gedachtegang omgebouwd tot olifant. Zelfs in alle mensen zie ik vijanden.

Het probleem ligt als een molensteen op mijn blaas. Ik dreig er zelf van leeg te lopen. Paniekzweet breekt me uit wanneer ik er alleen al aan denk. Belachelijk. Ik ben immers een stoere krijger, voorbestemd om door te leven in de harten van velen. In ieder geval, van hen die van me hielden.

Had ik maar een te hoog cholesterolgehalte, een maagzweer of werd ik door de mexicaansegriepexplosie getroffen, dat zou het nog te doen zijn. Dan kon ik nog met mezelf door één deur. En wèl naar buiten.

Maar nu?

Ik moet ik het maar als een moedig man accepteren. Het is mijn lot dat ik de geschiedenis inga als dé Indiaan met pleinvrees.
 

dinsdag 21 januari 2014

Het vergeten veertje

Januariuitdaging schrijvelarij, geschreven met de volgende steekwoorden van Trudy: Spaanse sloffen, pennenlikker, straatlantaarn, konijnenkeutel, poppenoog, stoelpoot, waterdruppels, kippenveer, sleutelbos, deurklopper

 

'Die fantasie van je breekt je nog eens op', mijn man schudt afkeurend zijn hoofd wanneer hij me weer eens betrapt op het dreigende verloren raken in een onwerkelijke wereld. Ik irriteer me aan zijn gezeik en werp een nijdige blik zijn richting op.

 "Bemoei jij je nou maar met  je saaie administratieve troep, en laat me met rust pennenlikker, wanneer het je niet zint... daar is het gat van de deur."

De kat komt hard aan, de knal waarmee de deur achter hem dicht valt ook.  Er gaat een steek door me heen wanneer ik zijn sleutelbos op tafel zie liggen. Hij gaat nooit zonder de deur uit.  Nooit. Er bekruipt me een onwezenlijk gevoel, ben ik te ver gegaan?

Krak. Nou breekt de stoelpoot ook nog doormidden en lig ik met een blauwe kont op de grond. Zal het houtrot geweest zijn? Wanneer ik mijn Spaanse sloffen aan wil trekken lijken ze gekrompen te zijn, het zit me niet mee vandaag. Snel van me afzetten en me richten op mijn schrijfwerk. Daar bloei ik weer helemaal van op, ik groei, ik ben helemaal in mijn element en vergeet alles om me heen.

Schrijven, obsessief schrijven, mijn lust en mijn leven. Ik merk niet dat de straatlantaarns al aan gaan, dat het later en later wordt, ik schrijf mezelf naar een andere wereld, tot diep in de nacht, helemaal buiten westen, helemaal knock out....

Waterdruppels brengen me weer tot bewustzijn. Waar komt dat nou vandaan. Ik open mijn ogen en zie een grijs knaagdier dicht bij me. Met een lange slurf sproeit hij me nat. Wanneer hij merkt dat ik wakker word, keert hij om en laat een spoor konijnenkeutels achter zich. Ik draai mijn hoofd in walging om en kijk recht in een poppengezichtje.  Wonderlijk hoe gedetailleerd de afwerking is van het miniatuurtje. De plooitjes in de hoepelrok die het draagt, de halsketting en zelfs minilachrimpeltjes. Een licht schokje gaat er door mij heen wanneer het poppenoog zich lijkt te sluiten. Zie ik dat goed? De mondhoekjes gaan ook omhoog en ik kom tot de verbijsterde ontdekking dat de pop geen pop is, maar een mens. Een miniatuurmensje? Ik keer mijn hoofd weer en zie hoe het knaagdier bij nader inzien toch geen echt knaagdier is. De drollen die ik aanzag voor konijnenkeutels blijken afkomstig te zijn van een heuse olifant.

Het zijn geen miniatuurverschijnselen die ik waarneem. Ik ben zo gegroeid in mijn schrijven, zo veel groter geworden in mijn fantasie, dat de wereld om me heen gekrompen lijkt. Vandaar mijn plots gekrompen sloffen, vandaar dat de stoel  bezweek onder mijn gewicht.

Een poging om te gaan staan mislukt. Mijn enkels worden tegengehouden.

'Mijn huis, ik ben uit mijn huis gegroeid', denk ik koortsachtig

En de enige persoon die me mogelijk zou kunnen redden heb ik weggejaagd. Hij keert vast niet huiswaarts, hij mist de sleutel en kan er niet inkomen.

Ergens ver onder me, naar ik schat, zo tussen mijn enkels, hoor ik een klop. Er volgt nog één. Natuurlijk. De deurklopper. Die heeft mijn lieve man voor me gekocht in het leuke curiositeitenzaakje op de hoek.

"Binnen, kom binnen", hoor ik mezelf roepen. Ik spreid mijn benen zover ik kan, het lukt, krakend gaat het poortje open.

"Verdorie, wat is het hier donker en benauwd, er hangt hier een vreselijke muffe lucht' , hoor ik een voor mij overbekende stem zeggen.

Mijn redder, mijn lieve schat... Hij spurt zo snel hij kan weer onder mijn rokken naar buiten en komt op een holletje binnen mijn gezichtsveld.

"Ik had mijn sleutels op tafel laten liggen, wat is er gebeurd lieverd."

Zijn boze buien duren nooit lang.

"Ik dacht dat ik het aankon, ik dacht wanneer ik maar regelmatig schrijf ik wel zou groeien in mijn schrijven, maar stom, ik heb iets over het hoofd gezien.... en nu kan ik niet meer stoppen met groeien. Ik moet dit verhaal waar ik nu in beland ben af weten te maken, maar ik ben vergeten... ik ben iets vergeten..."

Tranen stromen er nu over mijn wangen wanneer de hachelijke situatie waarin ik verkeer tot me doordringt. Ik pijnig mijn hersens, maar ik kom er maar niet op.

Dan bukt mijn lieve man zich, raapt wat op van de vloer en staart ernaar. Het is zo klein, ik kan niet goed zien wat het is, dus vraag ik hem wat hij daar heeft.

"Een kippenveer.... wat doet die hier nou."

Een kippenveer, ja, eureka, dat is het woord wat ik nog niet gebruikt had in mijn verhaal.

"Een kippenveer", juich ik. Meteen voel ik me kleiner en kleiner worden.  Het gaat in een razend tempo, alles om me heen begint te draaien, mijn man, de olifant, de mensen... ze vervagen allemaal. Alles verandert weer, tot ik  de stoel waarop ik zit hoor kraken. Ik ben weer terug in de realiteit. Poeh, dat was op het nippertje, even nog iets controleren, ja hoor, mijn sloffen passen me weer. Ik gluur naar de tafel. Leeg. Gelukkig denk ik. Hij heeft zijn sleutelbos bij zich en kan dus binnen komen.

 

zondag 19 januari 2014

De gevallen engel

Voor de januariuitdaging van Schrijvelarij geschreven met dank aan Chantal voor haar steekwoorden

 
Hiawatha  kon er niets aan doen. Was tot over zijn oren verliefd op haar. De blonde lange krullende lokken, de zachtbruine ogen, de blanke huid, de ranke verschijning. Ze had iets engelachtigs. Ze was een wonder.  Hij zat zonder werk en de 'Engel' kon wel wat hulp in huis gebruiken, dus wierp zij hem een reddingsboei toe en zei dat ze hem met liefde en aandacht zou voeren wanneer hij haar het huishouden uit handen nam.

Dat het hem ontbrak aan huishoudelijke kennis, deed er niet toe, verzekerde ze hem, wanneer hij uit liefde handelde was dat toereikend.

'Hiawatha, zorg je even dat alles weg is', had ze met haar fluwelen stem en met een wijds armgebaar naar de ontbijtboel die de tafel ontsierde gezegd.

Een makkie, had  hij gedacht. En netjes alles bij elkaar geknoopt in het tafellaken en zo het hele zootje op de vuilnisbelt gekwakt.

Als dank schold ze hem de huid vol: "Uilskuiken, heb je in dat achterlijke reservaat van je, nog nooit gehoord van afwassen? En breng je paard naar buiten, hij bevuilt mijn hele vloer met gras en hooi en wat al niet meer."

Geschrokken van haar commentaar nam hij zich voor een goede beurt te maken. Hij stalde zijn hengst in de tuin en ging met de maaimachine door het hele huis om het gras zo kort mogelijk te krijgen.

Weer was het niet goed genoeg volgens de Engel. Ze krijste dat haar parketvloer niet gemaaid  maar in de boenwas gezet moest worden en sommeerde hem om haar bed op te maken, dat moest hem toch wel lukken zonder scha aan te brengen?

Hiawatha dacht eerst goed na voordat hij aan haar volgende opdracht gehoor gaf , het was voor hem de eerste keer dat hij zich aan opmaken waagde.

De hele middag was hij bezig geweest. Met een combinatie van googleen, zijn gezonde verstand gebruiken  en wat gekochte spullen  moest het hem toch lukken.  

Het potje vloeibare make-up diende voor een egale ondergrond, het hoeslaken moest de ondergrond zijn die ze hier bedoelden. De lipstick had uiteraard te maken met kussen, secuur smeerde hij het uit over de kussenslopen. De rouge was om een warmer effect te creëren, hij bepoederde het hele dekbed. Voor de oogschaduw en mascara gebruikte Hiawatha zijn improvisatietalent.   Best trots op het resultaat liet hij 'zijn Engel' het keurig opgemaakte bed zien.

"Wàààt?"  brulde ze: "Driedubbelovergehaalde mislukkeling. Kom je bij me schooieren voor een baantje en verpest je alles, ALLES hoor je!?! Die kip kerrie met ananas die ik voor je had willen maken kan je wel op je buik schrijven."

Zij was toch zijn reddende engel? Was het dan allemaal maar gebakken lucht de zinnen die ze uitgesproken had

Er knapte iets in de indiaan. De zweetdruppels van het zwoegen van die middag parelden hem nog op zijn voorhoofd. Hij pakte zijn tomahawk, haalde uit en het bloed spoot alle kanten uit...

 

Nu zit ze vast daarboven op hem te wachten voor de hemelpoort.  Ze kan wachten tot ze een ons weegt, de engel is wat hem betreft  gevallen, hij heeft  haar ware aard gezien. 


zaterdag 18 januari 2014

De gevolgen van de introductie van de skippybal

Januariuitdaging schrijvelarij met dank aan Roelande voor haar steekwoorden 

De introductie van de skippybal  was een fantastische move van me. Ik was in staat geweest een frisse wind door het broeinest te laten gaan, ze zouden het weerbericht er wel eens voor aan mogen passen, dacht ik grinnikend bij mezelf op weg naar de kantoor  van de schooldirectie.  Ze hadden me vast ontboden omdat ze naar aanleiding van mijn geweldige ingeving opslag wilden geven. Overtuigd van mijn eigen kunnen opende ik de deur van het kamertje. 

 

Nu sta ik hier met open mond en klapperende oren. Alsof het zojuist aangezegde ontslag een fopwoord betreft.

"U maakt een grapje', hakkel ik

Het moet te maken hebben met het inkrimpingbeleid wat tegenwoordig scholen dwingt tot willekeur van opheffing van banen.

De directeur kijkt me fronsend aan over zijn bril.

"Je hebt onze leerlingen in gevaar gebracht, die gevallen zijn levensgevaarlijk, als gymlerares had ik toch wat meer van je verwacht. Dit kunnen we echt niet tolereren."

Daar gaat mijn idee, het spat als een luchtbel uiteen. Verdorie, ik heb mijn taak toch netjes voltooid? Ze wilden dat de leerlingen meer beweging zouden krijgen, door ze van les naar les te laten huppen is toch heel wat beter dan dat geslenter door de gangen?  Ze doen  alsof ik ze op gasbellen door de school stuur in plaats van op onschuldige skippyballen. Dat noem ik nou stank voor dank.

 

Woest gooi ik de deur achter me dicht. Ik heb nog een geluk dat ik niet helemaal afhankelijk wordt van een uitkering. Op school had ik maar een dienstverband van 20 uur en ik heb net vanmorgen gehoord dat ik aangenomen ben voor die andere 20 bij een vakantiepark bij ons in de buurt. Het zou wel voor het grootste deel schoonmaakwerk zijn, maar dat maakt me niet uit. Ik ben nooit te beroerd om mijn handjes te laten wapperen.

Het enige vervelende is dat ze me uit betalen in bitcoins, geen enkel idee wat ik daar nou weer mee aanmoet, maar daar zal ook vast wel een oplossing voor komen.

Ik loop het park op en wat blijkt? Daar is net een andere vacature vrijgekomen. Een fulltime job in het animatieteam. Ze zitten  dringend om een lenig iemand te springen, een functie die me op het lijf geschreven is. Vol enthousiasme trek ik gelijk mijn werkkleding aan en trek een spurtje om mijn startpositie aan te nemen.

Hè hè, toch nog een happy end.
 

vrijdag 17 januari 2014

Een ommekeer dankzij de monstermagnetron

Januariuitdaging van Schrijvelarij, met dank aan Chantal voor haar steekwoorden 
 

In mijn jongere jaren heb ik het niet echt makkelijk gehad. Het is niet dat ik zo'n moeilijke jeugd had, maar ik werd wel gruwelijk gepest. Woordelijk gekleineerd. Tja, ik was dan ook wel een heel erg ukkie.  Altijd de kleinste en zo plat als een dubbeltje.  Bovendien droeg ik  een brilletje, niet zelden werd ik uitgemaakt voor brillenjood of vroegen ze of ik niet uitmijn jampotdoppen kon kijken wanneer ik weer eens onder de voet gelopen werd. Op school was ik voortdurend het mikpunt van spot.  Altijd moest ik het onderspit delven.

Mijn thuishaven was  veilig. Daar had ik mijn eigen plekje. Mijn ouders steunden me ook waar ze maar konden. Mijn moeder spoorde me aan om meer kapjes te eten, daar groeiden mijn borsten van volgens haar. Mijn vader gaf me de pindakaassuggestie. Daar werd je niet alleen groot en sterk van, wanneer de potten leeg waren, zou ik er een brilletje van kunnen maken, had ik tenminste een geldige reden wanneer ik ergens tegenaan liep. Ja, kijk maar eens niet wazig wanneer je door een pindakaaspotje moest kijken. Zelfs mijn broer had een dubbelbelegtip, broodje kaas met chocopasta, vreselijk van smaak, maar gegarandeerd groeizaam.

Jawel, mijn familie heeft altijd het beste met me voorgehad.

Toch vond ik dat ze me maar moesten nemen zoals ik was. Ik schikte me in mijn lot, ik leefde Deo Volente, zo God het wil, hij had daar waarschijnlijk zo zijn redenen voor.  

 

Tot die bewuste dag. Ik had voor mijn moeder een nieuwe magnetron gekocht. Ze was zo vaak aan het klagen dat haar oudje te klein was, daar paste met goed fatsoen nog geen kop erwtensoep in. Dus ging ik voor een monsterexemplaar. Ze was er wel blij mee, maar hoopte toch dat ik de kassabon nog had omdat ze hem graag in wilde ruilen voor een kleinere.

"Deze is zo groot, dat jij er wel in past. Weet je nog die keer dat ik niet gezien had dat je nog in je pyjama zat toen ik hem in de wasmachine stopte? Ik moet er niet aan denken dat zoiets dergelijks mij ook bij dit apparaat overkomt."

 

De maat was vol. Ik schafte me een paar contactlenzen aan en accepteerde mijn lengte niet langer. Ik at tegen de klippen op. Hele stokbroden verzadigd met mayonaise,  emmers vol roomijs met ladingen slagroom, zoetigheid, hartigheid, wat at ik eigenlijk niet, tot overrijpe bananen aan toe.

Om niet tonnetje rond te worden meldde ik me als vrijwilligster aan bij de martelkamer. Daar zochten ze pijnbanktesters, een simpele manier om me uit te rekken.

 

Het heeft het gewenste effect gehad. Inmiddels leef ik op grote voet.  Pesten doe ikzelf niet aan. Ik kijk niet neer op de kleintjes, heb een gloeiende hekel aan uit de hoogte doen. Dat laag bij de grondse gedoe is mij vreemd.

En het heeft zijn vruchten afgeworpen. Wie goed doet, goed ontmoet. Een heel volkje heeft zich om me heen gevormd.  Ze maken wel wat herrie, met het timmeren van een behuizing rond me, maar ze bedoelen het goed. En klagen ze omdat ik maar door ga met groeien? Nee.  Ze zetten gewoon een ladder tegen mijn voet op om de grootte van aangepaste woning te bepalen.  

donderdag 16 januari 2014

Proefverlofverlangen

Het lijkt Utopia, elke avond prachtige zonsondergangen,  veel rust, schitterende natuur. De ideale plaats om volmaakt gelukkig te kunnen zijn. Maar niets is minder waar.  Wanneer er een mogelijkheid was om dit oord te ontvluchten zou ik hem gelijk aangrijpen.

Degene die mij een treinkaartje enkele reis naar Verwegistan  zou kunnen verkopen , zou gelijk spekkoper zijn. Ik zou hem met gouden dukaten betalen en geen wisselgeld terug hoeven.

Ik heb zelfs een drankprobleem geveinsd om met een ambulance te kunnen ontsnappen, maar de treinwagon van het ziekenvervoer ontspoorde en i k zat gelijk weer vast.

Nu kijk ik iedere avond vanachter het tralieraampje naar de zonsondergang, kruis de dagen af in mijn agenda.

Nog  1825 dagen tot mijn proefverlof.
 

Geschreven voor de januariuitdaging van schrijvelarij in 120 woorden met dank aan Roelande voor haar steekwoorden

woensdag 15 januari 2014

De werkster en de cabriolet

Tevreden zak ik achterover op de keukenstoel. Trots op mezelf. De betalingspecificatie ligt ingevuld op tafel. Het was een makkie, even goed opletten tijdens het vragenuurtje, getalletjes overnemen van de jaaropgave, hier en daar wat kunstgreepjes toepassen en op slinkse manier heb ik het weer voor elkaar gekregen. De kwijtschelding is een feit.

 

Ben ik dan echt zo behoeftig, moet ik de papieren voor elkaar maken omdat ik anders geen mogelijkheid zie om rond te komen?

Mispoes.

Mijn geheim? De werkelijke reden van deze schandalige uitbuitpraktijken? Zou ik het aandurven om open kaart te spelen? Nou vooruit. Het is begonnen met een surprise. Wilde mezelf eens verrassen en heb een busje haarverf gekocht. Het was nog in de aanbieding ook, eigenlijk niets voor mij, om dingen die in de reclamebakken liggen te kopen. Precies de kleur die ik nodig had. Gedistingeerd zilvergrijs. Het lukte geweldig, het was zo gebeurd.  Toen dacht ik, hier moet ik meer mee doen. Alle mogelijkheden benutten.  

 

Ik knoopte een theedoek over mijn grijze krullen en die chique oorbellen  die deed ik uit. Niet omdat ik verwacht dat iemand mijn oorlelletje wil kussen, maar omdat het nou eenmaal niet hoort bij mijn nieuw aan te meten status. Nou nog even een schort voordoen, een moppie en een emmertje pakken en ik ben er helemaal klaar voor. Waarvoor? Voor de controle uiteraard. Het moet wel een beetje geloofwaardig overkomen nietwaar, de aftrekposten die ik allemaal declareer alsof ik toegetreden was tot de arbeidersklasse.  Pas dan, als die belastingambtenaar langs is geweest gooi ik mijn kop weer onder de waterstraal. Behang ik mezelf weer met alle mogelijke sierraden, zet ik mijn mooie sierlijke hoed  weer op, knoop ik een zijden sjaaltje om mijn ranke hals en spring ik weer in mijn cabrio.
 


Met steekwoorden van Chantal geschreven voor de januariuitdaging van schrijvelarij

De krolse marter

 
'Dat is helemaal een giller, moet je dit checken mam', dochterlief roept vanuit  de fauteuil  waarin ze zit te lezen. Geërgerd dat ze me weer eens stoort kijk ik naar haar. Zo kom ik nooit klaar met de vervelende foto-uitdaging van Schrijvelarij, denk ik en staar naar de onmogelijke steekwoorden die ik erbij gekregen heb. Normaliter bieden die mij juist genoeg houvast. Geven me net even dat tikkie extra wat mijn verhalen zo onzinnig maakt. Niets werkt zo ontspannend dan complete nonsens te verkopen.

'Check dit, check dit, check dit...'

Ze gaat niet stoppen voor ik toegeef. Ik weet dat.

'Laat maar horen dan', verzucht ik.

'Oké dan, komt ie hoor: in ... de ....  lucht .... kussen', ze pauzeert uitdrukkelijk na elk woordje en theatraal vervolgt ze;

'Een voorzetsel fout, een lidwoord fout en bovendien horen de laatste woorden aan elkaar geschreven te worden, het hoort te zijn: op het luchtkussen! ! Toch? Mam?'

Ze kan dingen zo pertinent zeggen en vervolgens gelijk om bevestiging vragen. Na een korte uitleg van me, snapt ze precies wat ermee bedoelt wordt en kan ik me gelukkig weer richten op mijn eigen obsessie. Staren naar de woorden.

Op de achtergrond hoor ik mijn dochtertje wat in haar kastje rommelen, vast op zoek naar een boek wat ze nog niet voor de honderdste keer gelezen heeft. Me concentreren op mijn blog, niet letten op het gerommel en gerotzooi achter me, hou ik mezelf voor.

Aha, het lukt. Snel typ ik de eerste zinnen  in voordat ze weer uit mijn gedachten verdwijnen.

 

De visser keek verschrikt naar de krolse marter die tegen zijn been aan het oprijden was. Het moest vast die Engelsman zijn, die hij gister voor de gek gehouden had. Als wraak had hij natuurlijk een practical joke met hem uit willen halen...

 

'Wat is dat nou weer?'

Zonder dat ik het in de gaten had, is Kim achter me komen te staan. Ook zo'n irritante gewoonte van haar. Voortdurend over mijn schouder meelezen. Ze denkt vast dat ik iets opgeschreven heb wat niet klopt. Een voorzetsel verkeerd gebruiken, een lidwoord, of ze valt waarschijnlijk over die Engelse woordjes.

'Een practical joke  is een grap waarbij men iets doet of een ander iets laat doen. Men vertelt dus geen grap, maar haalt een grap uit. Kenmerkend voor de practical joke is, dat er iemand is, die als 'slachtoffer' fungeert. De visser denkt...'

'Ja duh', onderbreekt   mijn dochter me: 'wat dat voor iets is dat weet ik ook heus wel hoor. Ik bedoel dat plaatje! Dat lijk ik wel! Het meisje is zo verdiept in haar boek dat de wijzers van de klok vallen, je zegt toch ook altijd tegen mij dat ik de tijd vergeet bij het lezen? Dat ik ook eens wat anders moet doen, spelen met poppen bijvoorbeeld... Ga jij een verhaal over mij schrijven wat begint met een visser? ' ze ratelt aan één stuk door en weg is mijn zin om te schrijven. Voor vandaag hou ik het maar voor gezien en sluit mijn computer af.

 

'En o ja mam', zegt dochter poeslief :' wil me er niet mee bemoeien maar  ik denk  dat die krolse marter een kater moet zijn hoor.'

Zucht.




Voor de januariuitdaging van schrijvelarij geschreven met dank aan Trudy voor de steekwoorden

maandag 13 januari 2014

Assepoester heeft de tijd vergeten

Er was eens in een land, hier ver vandaan

een Assepoester aan het dweilen gegaan

was druk aan de poets

en miste de koets

liet zo een sprookjesprins aan haar voorbijgaan

 

Ze boende en dweilde jaar na jaar

was volgens haar stieffamilie nooit klaar

altijd aan het werk

en, dit is echt sterk

het was steeds weer opnieuw genieten voor haar

 

 

Al wat ze nodig had, waren emmers en moppen

om alles keurig netjes schoon te soppen

ze maakte schoon baan

at vaak een banaan

en dacht die prins moet zijn eigen boontjes maar doppen

 

 

Af en toe, zo tussen de bedrijven door

had Assepoester wel eens zin in wat anders hoor

dan liet ze de boel de boel

plofte neer op een stoel

en las zichzelf glimlachend een lovesprookje voor




Voor de januariuitdaging van Schrijvelarij geschreven

zondag 12 januari 2014

De perfecte ware liefde

Jarenlang was ik op zoek naar iemand die bij me zou passen. Iemand met een beetje een redelijk voorkomen.  Die niet gelijk week zou worden van de eerste de beste blik in mijn ogen. Die mijn drang naar rein- en schoonheid zou dulden, maar mijn obsessie van desnoods alles schoon te likken, een beetje in toom kon houden.

Die kon bewerkstelligen dat  mijn aandacht niet steeds naar het overdrijven van de wolken  zou gaan. Een persoontje die mijn karakter de baas zou blijven. Stevig in de schoenen zou staan. Iemand tegen wie ik op kon kijken, kon bewonderen, iemand die me kon leiden naar een leven met een doel. Jarenlang was ik al op zoek naar de perfecte liefde in mijn leven.

 
Ik dacht dat ik het nooit zou vinden maar wat me vorige week toch overkomen is? Niet te geloven. Je denkt vast dat ik aan het overdrijven ben, maar niets is minder waar. Ik wandelde  helemaal in gedachten verzonken, toen mijn oog viel op een schoonheid, niet te zuinig.  Zo'n mooie vrouw, lange benen, een slank middel, iets breder op de heupen, een perfecte  boezem en blonde haren.  Een kort moment dacht ik dat ze dood was, toen ik haar zo roerloos zag liggen in het koude natte gras naast het pad. Dichterbij gekomen zag ik dat ze enkel en alleen bewusteloos  was en zocht om me heen naar een middel om haar bij haar positieven te brengen. Had ik bij de lessen van biologie waar ik stiekempjes meegeluisterd had maar beter opgelet. Het was wellicht mijn kans geweest om kennis op te doen van de werking van het menselijk lichaam. Het enige waar ik toen belangstelling voor had was het ontleden van een pad. Hoe banaal.

Warmte, schoot er door mijn brein. Warmte had ze nodig. Een deken, zou op zijn minst voorkomen dat ze bezweek aan de kou.

"Een deken, een deken, wie brengt me een deken'

Ik moet het geroepen hebben, want een priester kwam met een plaid aanzetten, hij had mijn noodkreet waarschijnlijk van verre gehoord, hield net als ik van schoonheid in al zijn facetten en wreef de vrouw net zolang warm tot ze helemaal bij kennis was.

"Een deken met een deken", dacht ik bij mezelf, het liefst keek ik hem weg. Ik wou alleen zijn met deze bijzondere vrouw, die toen ze haar ogen opende, nog mooier was.

"Ik moet uit dat blikken ding geslingerd zijn toen ik in de slip geraakt ben", zei de vrouw tegen de geestelijke.

De cabriolet die inderdaad nogal scheef in de berm stond, zag allerminst als een onbetrouwbaar stuk blik uit. Het moest voorbestemd zijn, dacht ik overgelukkig. 

"Ik heet Maria, zeg maar hoe ik u kan bedanken", Maria gaf de Priester een hand en ik stond er maar een beetje verloren bij.  Mijn hemel, wat had ze een heerlijke geur, snel trok ik mijn neus weg uit de buurt van haar kruis. Ze zou eens denken dat ik aan haar slip rook.  Maria was een vrouw waar ik me bij gedragen moest, zo voelde het vanaf het eerste moment al aan.

Gelukkig ging de deken al vrij snel ervandoor. Hij had nog enkele zieltjes die hij nodig moest redden en zei tegen Maria dat zei dat  het voornamelijk aan mij te danken was dat hij haar had zien liggen.

 

En zo kwam het dat ik vanaf dat moment verslingerd was aan Maria, die op haar beurt  zich over mij ontfermde. Ik had mijn grote liefde gevonden.

Raadselachtig was wel hoe de priester mij verstaan had. De enige logische verklaring die ik daarvoor heb, is dat hij in een vorig leven ook een hond geweest moet zijn.
 

Geschreven voor de januariuitdaging van Schrijvelarij met hulp van steekwoorden van Roelande

zaterdag 11 januari 2014

Met de billen bloot

Zenuwachtig loop ik rondjes door mijn huis met een gevulde koffiekan.  Ze zal zo wel komen.  Maandag kwam ik haar tegen op de nieuwjaarsreceptie van het clubhuis. Er loopt een rillinkje over mijn rug, wanneer ik daar weer aan terugdenk.  Al die overdreven mensen, die maar raak smakken, elkaar in de armen vliegen  en aflebberen, je moet er wel in meegaan anders word je aangekeken voor stijve trut. Zij bemerkte een lichte teruggetrokkenheid  bij mij.

"Jij bent niet zo'n knuffelkont hè?" ze vroeg het vriendelijk en ik ontspande.

"Nee, het hoeft van mij niet allemaal, ik zal blij zijn als dat bestewensengedoe eenmaal achter de rug is, waarom kunnen ze niet gewoon volstaan met een simpele handdruk? ", mijn antwoord was opmerkelijk eerlijk en de voor mij nog onbekende vrouw keek me begrijpend aan, gaf me een hand en wenste me alle geluk toe. Ze maakte gelijk van de gelegenheid gebruik om zichzelf aan me voor te stellen als Hyacint Sterretje, journaliste bij het blad 'Met de billen bloot' en vroeg me of ze me mocht interviewen. In een onbewaakt ogenblik moet ik ja gezegd hebben, want gister belde ze me dat ze me voor vrijdag ingepland had.

Dat is dus vandaag.

 

Dingdong.

Met de pot nog in mijn hand open ik de deur.

"Wilt u koffie?"

"Graag, maar dan wel binnen", antwoordt Hyacint.

Ik grinnik en stap opzij om haar binnen te laten.

"Neemt u me niet kwalijk, ik ben nogal gespannen."

" Zeg maar jij en noem me maar Hy, dat praat wat makkelijker vind ik."

Nog wat onwennig ga ik tegenover haar zitten. Hyacint kijkt naar de vele trofeeën in de glazen vitrinekast en ze valt gelijk met de piepende deur in huis.

"Voor de lezers van ons blad is het van groot belang dat je nu eindelijk eens met de billen bloot gaat! Onlangs hing je nog in spagaat tussen de bomen, vandaar mijn eerste brandende vraag. Waar dank jij je lenigheid aan?  Doe je aan dansen, turnen of is het de judo die je spieren zo oprekt?"

"Nee hoor, wat er in de prijzenkast staat is gewonnen door mijn dochter. Mijn geheim is..." even aarzel ik en Hy denkt me aan te moeten vullen.

"Geef het maar toe. Het is je dikke grote duim waar je alle fantasieverhalen uitzuigt!"

"Integendeel. Mijn duimen zijn net als mijn vingers slank en niet overdreven groot. Niemand mag het weten... mocht het weten, tot nu toe dan. Wij hebben onder ons huis een sm kelder ingericht. Compleet met pijnbanken, allerlei katrollen  en diverse pols-  en enkelboeien. Met grote regelmaat lig ik daar met een spreidstang tussen mijn benen mezelf op te rekken."

Hyacints kijkt me aan met een mengeling van ongeloof, verbijstering en een tikje verlangen. Schor vraagt ze me of het misschien mogelijk is dat zij die kelder van binnen mag zien en enkele foto's mag maken.  

Dat gaat me wat te ver. Oké, met mijn billen bloot gaan wil ik wel, maar het op de plaat vastleggen? Liever niet.

Snel haast ik me te zeggen dat het eigenlijke geheim van mijn ongebreidelde fantasie trucage is. Ik hussel wat met woorden en plaatjes en daar komt een mengeling van fantasie en waarheid uit voort. Om het duidelijk te maken wat ik bedoel laat ik de interviewer een foto zien van mijn uitzicht.

"Hier kijk ik op uit, wanneer ik door mijn raam kijk", een identieke foto leg ik er omgekeerd tegenaan: "En zo is het net of ik aan het water woon, snap je? Zo doe ik met bijna al mijn verhalen. Ik stop er een beetje waarheid in en pas dus trucage toe om het wat smakelijker te krijgen. "

Na nog een paar vraagjes vertrekt Hyacint gedesillusioneerd.

Ik kan weer opgelucht ademhalen. Daar heb ik me weer mooi uitgeluld. Pffft, een sm kelder, het idee alleen al. Er is helemaal geen ruimte onder ons huis, nou ja, een kruipruimte dan, maar meer ook niet.

 

Ik hoor een gesmoorde kreet van boven komen, bijna mijn 'onderdaantje' vergeten. Tja, ik mag dan wel geen kelder hebben maar wel een zolder.

 Snel haast ik me de trap op.
 

Geschreven voor de januariuitdaging van Schrijvelarij, met steekwoorden van Chantal

woensdag 8 januari 2014

Een bizarre bevalling

"Je moet naar de dokter!", mijn moeder keek me fronsend aan: " het is niet normaal dat je je lunchbox enkel gevuld hebt met augurken en dat je zomaar bij binnenkomst in het warenhuis flauwvalt."

Ik wuifde haar bezorgdheid nonchalant weg:

"Vanmorgen heb ik waarschijnlijk in mijn haast het brood op de snijplank laten liggen en die gesneden augurkjes in mijn broodtrommeltje gedaan en ik was zo in gedachten verzonken dat ik vergat uit de draaideur te stappen. Gewoon een beetje duizelig geworden."

"Toch moet je je even na laten kijken", drong mijn moeder aan en om van haar gezeur af te zijn zat ik even later al in de spreekkamer van onze huisarts. Mams zat naast me, ze legde de dokter al mijn problemen voor en intussen zat ik verveeld een stripfiguurtje te tekenen.

"Alles wijst duidelijk op een zwangerschap!"

Mijn potlood schoot uit en ineens had het eierkopje van Wiske een gigantische paardenstaart bovenop haar strikje, gekregen .

 Zwanger? Ik? Dat kon toch niet! Onmogelijk!



In een flits gingen mijn gedachten terug naar het weekend met Lemuel op 'zijn' eiland.  Hoe ik aan alles behalve mijn pillendoosje  had gedacht. Hoe we ons vergaten hadden en helemaal in elkaar opgingen. Het dong-dong-dong van de grote Friese staartklok zette ons weer terug in de werkelijkheid. Nog net op tijd had hij zich teruggetrokken. Een mengeling van spijt en opluchting ging er door mij heen. Ik was nog helemaal niet klaar voor een langdurige relatie en we namen als goede vrienden afscheid.

Mams reactie loog er ook niet om, plots dacht ze alleen nog maar aan zichzelf, ze jammerde dat  ze  nog niet toe was aan omaatje spelen en liet me alleen deze ellende opknappen.



In de maanden  die volgden bleef ik maar groeien,  tot nu. Ik heb het gevoel dat ik  minstens een olifant aan het 'uitbroeden' ben en naarmate de uitgerekende datum nadert  krijg ik steeds meer nesteldrang en groeit het verlangen om de vader in spé  op te zoeken en hem van het heuglijke nieuws in kennis te stellen.

 Alhoewel ik helemaal niet in de positie ben zo'n lange zware zeereis te maken waag ik toch een poging. Al snel word ik zo beroerd dat ik mezelf liever verzuip dan nog meer te doorstaan. Dus spring ik overboord en wordt verzwolgen door het woeste water.



"Ze komt bij, ze komt bij",  stemmen door elkaar, veel geroezemoes: "Gullivera komt bij."

Ik lig met mijn benen wijd, een plankenschot houdt mijn enkels uiteen, tegen één van mijn voeten staat een trapleer gesteund.

"Open dat ding, de ontsluiting begint en dan volgt de uitdrijving."

De poort tussen mijn benen ontsluit krakend. Een slurf komt eruit piepen, al snel gevolgd door de kop van een Indische olifant, een hele stoet komt erachter aan, een hele serie dametjes in hoepelrokken met  carnavaleske hoofddeksels op. Mijn handen voelen angstig de kasseien, ik heb nooit geweten dat een bevalling zo zwaar kon zijn.



Dan schrik ik wakker. Het eerste wat ik doe is mijn buik betasten. Plat en strak. Langzaam kom ik bij mijn positieven.  Inwendig vervloek ik zachtjes de januariplaatjes van Schrijvelarij, de combinatie met de gegeven steekwoorden bezorgt me nu al nachtmerries. Stiekem kijk ik uit naar de volgende maand, zal die me mogelijk mooiere dromen opleveren?
geschreven voor de januariuitdaging van Schrijvelarij

maandag 6 januari 2014

De kikker te paard

Dit jaar heb ik maar één wens, de prins op het witte paard tegen te komen. Jawel, u leest het goed, hier zit een dame die nog in sprookjes geloofd. Maar voordat ik mijn slag kan slaan om binnen te lopen, moest ik eerst de puinhoop in mijn leven ruimen. Te beginnen met mijn huisje.  

Vanmorgen heb ik de wekker extra vroeg gezet, eerst alle kerstspullen naar zolder gebracht en daarna de koelkast uitgemest. Niet te geloven wat een prakjes daar nog in staan. mijn oma vond het altijd een doodzonde wanneer je eten weggooide. Het is natuurlijk de bedoeling dat je de restjes opmaakt, maar met de feestdagen gaat het nou eenmaal een beetje anders.

"Sorry oma", mompel ik en kieper de hele inhoud van de koelkast in de vuilnisbak.

De ochtend is al bijna voorbij wanneer de telefoon gaat. Ik kijk op het schermpje, afgeschermd nummer.

 

"Hallo, met wie spreek ik..."

"Goeiemorgen schoonheid, je spreekt met dhr Prins, kom klokslag 12 uur naar het parkje achter de kerk, het wordt tijd dat wij elkaar ontmoeten, je kunt me herkennen aan mijn witte paard."

Tuut tuut tuut

Krijg nou helemaal de bromtollen, denk ik verward tot en met. Zou mijn wens dan toch nog uitkomen? Ik heb nog een kwartiertje. Snel stap ik op mijn fietsje en race naar de plaats waar ik mijn prins van zijn paard zal gaan trekken. Onderweg gaat er van alles door mijn hoofd. Het is vast één of andere vreemde gribus, die mij met een smoes naar het verlaten park wil lokken? Nou ja, op klaarlichte dag zal me wel niets ergs overkomen.  

 

Achter de kerk staat inderdaad een witte merrie. Er zit een stuk op. Mijn hart neemt een sprongetje en ik kom gelijk in actie. Ik sleur 'mijn prins' van zijn paard, hij is van mij, ik wil hier een slaatje uit slaan, hij ontkomt me niet.

Vlak voordat mijn lippen de zijne kunnen raken gaat het luchtalarm af. Het is twaalf uur, de maandelijkse maandagochtend herrie laat de merrie steigeren.

 

Haar hoeven raken mij en het duizelt me voor mijn ogen. Vaag zie ik hoe de prins krimpt tot kikkerformaat. Kussen kussen kussen, galmt het door mijn hoofd en in een laatste wanhoopsdaad hurk ik neer en kus de kikker.

 

Onze lippen versmelten voor een kort moment. Het is alsof ik de engelen hoor zingen, een hemels gevoel komt over me en ik sluit mijn ogen.

Wanneer ik ze weer open besef ik dat de prins me heeft verlaten. Hoe dom van me om nog in sprookjes te geloven, ik dacht dat ik de sleutel naar het geluk gevonden had, of de sleutel naar zijn hart. Zo zit, zit nog steeds gehurkt op een hekje dromerig voor me uit te kijken. Wie weet, volgende maand, wanneer de sirene afgaat, verschijnt mijn prins nog eens. De sleutels hangen naast me, voor het geval dat...


Voor de januariuitdaging van schrijvelarij geschreven

zondag 5 januari 2014

In de greep van de meest pakkende gedichtenbundel

Vanzelfsprekend had ik me gehouden aan het protocol wat bij de feestdagen hoorde. Netjes en beleefd lachen en proosten en vooral  je volproppen lepels gevuld met van die kleine amusehapjes en andere vreetwaren tot je uit dat strakke keurslijf knapte. 

Het werd tijd voor het normale leven. Ik kon geen champagneflut meer zien  en  geen appelflap meer ruiken door de vele toastjes die mijn neus uitkwamen. 

 Vanochtend ben ik dan ook begonnen met een normaal ontbijt.  Een gewone boterham met pindakaas en een flesje plat water, wat ik wel inschonk in een wijnglas om de overgang niet te groot te laten worden.

Afkicken met beleid.

 

Nog even snel een krentenbol smeren en dan een luchtje scheppen. Op verkenning in mijn nieuwe woonplaats loop ik langs een curiositeitenwinkeltje. Mijn oog valt op het bord wat boven de deur hangt.

~ t o t a l e   l e e g v e r k o o p, BETREDEN OP EIGEN RISICO ~

Ik ben dol op van die snuffelsnuisterijtjes en neem een kijkje. De deur valt achter me dicht, het is net of hij in het slot klikt en een man in een soort toga haast zich naar voren om het bordje op gesloten te draaien.

"Ik wil mijn tijd alleen voor u kunnen nemen en kan daar geen pottenkijkers bij gebruiken", verklaart hij.

Even bekruipt me een onbehaaglijk gevoel, wanneer hij maar niet denkt dat ik zijn hele zaak leeg kan kopen, ik heb maar één twee euromunt bij me, dat is vast niet genoeg. Maar schudt al snel de sombere gedachtes van me af wanneer ik voor me een hele plank vol met oude boeken zie staan.

De eigenaar van het winkeltje volgt mijn blik en loopt meteen voor me uit, richting de plank, intussen zit hij mij bijna met zijn ogen uit te kleden. Kleren maken de man, maar of dat ook voor toga's geldt, daar heb ik geen weet van. Het gekke is dat ik me bijna naakt voel. Het is alsof hij dwars door mijn dikke winterjas heen kijkt.

"Een literatuurliefhebber? Dat dacht ik al. Kom maar mee naar het achterkamertje, daar heb ik wat heel bijzonders. Levende bundels. Zo beschreven dat je het als het ware al lezende beleeft."

Hij duwt me door een smal gangetje naar een  groene kamer die naar boeken ruikt, maar ook naar mysterie. Wanneer ik me omdraai zie ik tot mijn grote schrik dat hij zijn toga afgeworpen heeft.  Zijn doorleefde gezicht zit vol groeven, zijn knokige handen zijn het enige stevige aan hem. De man gaat zelf in een stoel zitten, legt een kussen op zijn houterige blote knieën en trekt me bij hem op schoot. Het is alsof mijn handen met kleverig goudkleurig plakband vast getapet zitten aan het kussen en ik kan enkel nog staren naar het opengeslagen boek wat hij voor me houdt. Ik lees, moet wel lezen.

 

Het verhaal wat al begonnen was

toen het nog niet eens verzonnen was

ze ging van huis, ze had ontbeten

het was niet pluis, wat ze had gegeten

ze maakte baas

een boterham met pindakaas

die spoelde ze tegelijk dus niet later

weg met het flesje platte water

 Hoe toevallig, het is precies wat ik vanmorgen heb gegeten, gehaast vliegen mijn ogen langs de volgende regels. Die beschrijven perfect hoe ik binnenkwam, naar deze kamer geleid werd, hoe de man met de toga opeens langzaam veranderde in iets houterigs en mij gevangen hield op zijn schoot.
 
Nu gaat het nu intreden

het echte risico van dit hol te betreden

 
Even huiver ik, probeer los te komen uit de onzichtbare greep, maar het lukt niet. Ik ril en zie mijn jas van me afglijden, mijn schoenen lossen in het niets op, met blote benen lees ik verder.

 
 
Het keurslijf is alles wat je nodig hebt hier

van nu af aan, ben jij een dame van plezier

 

 
Het boek klapt dicht. De armleuning reikt naar de grond, daar ligt de toga.

"Mijn mantel der liefde", hijgt de stoelman in mijn oor. Zodra hij het kleed weer over zijn schouders gedrapeerd heeft verandert de stoel weer in een levend persoon. Ik voel hoe het kussen tussen mij en hem wegglijdt en hoe de griezel de laatste gelezen regel tot waarheid maakt.




Geschreven voor de januariuitdaging van Schrijvelarij, met dank aan Roelande voor haar steekwoorden

donderdag 2 januari 2014

Gered door sprookjeskennis


Daar ligt hij dan, de koffiepot in honderden kleine scherfjes was hij voor mijn voeten op de plavuizen tegelvloer kapot gevallen. Onbruikbaar geworden.  Net nu ik vanavond zo'n gigabehoefte heb aan troost, het liefst een pot vol. Wat nu te doen? In een vlaag van verstandsverbijstering vergeet ik helemaal mijn claustrofobische aanleg en duik de kelderkast in. Dat wil wat zeggen voor me hoor. Ik, die de deur van de wc altijd open laat staan en liever mijn bips met kranten afveeg als het pleepapier op is dan een nieuwe toiletrol uit de kelderkast te halen. Maar voor koffie, zet ik mijn angsten opzij, voor troost, heb ik alles over.

Er moet hier ergens nog een reservepot staan. Hè verdorie, waar zit dat lichtknopje nu? Op de tast vind ik de schakelaar. Nergens een pot te bekennen, er staat alleen maar een voorraadje vlierbessenwijn. Ik pak er een fles tussenuit en ontvlucht het benauwde hok.

Grootmoeders vlierbessenwijn. Ik gruwel ervan, maar mijn oma is er dol op. Zou ik bij haar op bezoek gaan? Dan koop ik morgen wel een nieuwe pot. Zonder verder veel tijd te verliezen bel ik haar op, om er zeker van te zijn, dat haar koffie nog wel gezet kan worden. Ze zal verbaasd zijn van me te horen, ik  heb al jaren niet meer contact met haar gehad. ik ga voor eerlijkheid, en met rode koontjes vertel ik haar wat er gebeurd is.

"... en toen zag ik die vlierbessenwijn staan en dacht gelijk aan u."

"Kindje kindje toch, je had je nek wel kunnen breken in die kelder van je. Kan je er niet zo'n chatvenster in laten zetten, zodat je in ieder geval iets open kan laten staan?"

Ja ja, die oma van me die gaat met haar tijd mee, alleen weet ze nog niet goed waar de klepel hangt, met een -tot straks-  hang ik op. Vul een mandje met oude oliebollen en de fles wijn en ga wandelend door het bos naar mijn grootmoeder.

Lichte mistflarden maken het bos bijna sprookjesachtig,  barrevoets  snakkend naar een cafeïnestoot  stap ik flink door. Gegrom doet me even verstijven. Is dat een wolf die me aanloert alsof hij me wil verslinden? Ik voel mijn maag omdraaien, er vormt zich een warboel in maar ik ben niet voor één knoopsgat  te vangen en voor de wolf ook maar gehuil ten gehore kan brengen hang ik al in spagaat tussen twee bomen op hem neer te kijken.  Hij blijft me maar aankijken en ik denk intussen koortsachtig na hou ik de wolf kan wegjagen of afleiden. Hem de fles vlierbessenwijn tussen de oren mikken of met oliebollen bekogelen. Maar richten is mijn zicht niet goed genoeg en mijn brillenkoker heb ik thuis laten liggen.

Dan schiet me ineens wat te binnen. Ik bevind me in een bos, heb een rood hoofddeksel op, ben met een mandje onderweg naar grootmoeder en er zit een wolf naar me te kijken. Het lijkt verdacht veel op een sprookje en met een kuchje schraap ik mijn keel en spreek de wolf vermanend aan.

"Hé domme wolf, vergeet je niet wat? Je moet mij een langere route naar mijn oma, eh, grootmoeder wijzen en eerst haar opsmikkelen alvorens je mij te grazen neemt. En daarna ben je zelf de pineut, je wordt neergeschoten door een jager die vervolgens je buik opensnijdt, dat is je lot, er is geen ontkomen aan."

De wolf begint zachtjes te piepen, kiest daarna eieren voor zijn geld en vlucht met zijn staart tussen zijn benen.  Opgelucht dat ik mijn klassiekers zo goed ken vervolg ik mijn weg naar het huisje aan de rand van het bos.