In mijn jongere jaren heb ik het niet echt makkelijk gehad. Het is niet dat ik zo'n moeilijke jeugd had, maar ik werd wel gruwelijk gepest. Woordelijk gekleineerd. Tja, ik was dan ook wel een heel erg ukkie. Altijd de kleinste en zo plat als een dubbeltje. Bovendien droeg ik een brilletje, niet zelden werd ik uitgemaakt voor brillenjood of vroegen ze of ik niet uitmijn jampotdoppen kon kijken wanneer ik weer eens onder de voet gelopen werd. Op school was ik voortdurend het mikpunt van spot. Altijd moest ik het onderspit delven.
Mijn thuishaven was veilig. Daar had ik mijn eigen plekje. Mijn ouders steunden me ook waar ze maar konden. Mijn moeder spoorde me aan om meer kapjes te eten, daar groeiden mijn borsten van volgens haar. Mijn vader gaf me de pindakaassuggestie. Daar werd je niet alleen groot en sterk van, wanneer de potten leeg waren, zou ik er een brilletje van kunnen maken, had ik tenminste een geldige reden wanneer ik ergens tegenaan liep. Ja, kijk maar eens niet wazig wanneer je door een pindakaaspotje moest kijken. Zelfs mijn broer had een dubbelbelegtip, broodje kaas met chocopasta, vreselijk van smaak, maar gegarandeerd groeizaam.
Jawel, mijn familie heeft altijd het beste met me voorgehad.
Toch vond ik dat ze me maar moesten nemen zoals ik was. Ik schikte me in mijn lot, ik leefde Deo Volente, zo God het wil, hij had daar waarschijnlijk zo zijn redenen voor.
Tot die bewuste dag. Ik had voor mijn moeder een nieuwe magnetron gekocht. Ze was zo vaak aan het klagen dat haar oudje te klein was, daar paste met goed fatsoen nog geen kop erwtensoep in. Dus ging ik voor een monsterexemplaar. Ze was er wel blij mee, maar hoopte toch dat ik de kassabon nog had omdat ze hem graag in wilde ruilen voor een kleinere.
"Deze is zo groot, dat jij er wel in past. Weet je nog die keer dat ik niet gezien had dat je nog in je pyjama zat toen ik hem in de wasmachine stopte? Ik moet er niet aan denken dat zoiets dergelijks mij ook bij dit apparaat overkomt."
De maat was vol. Ik schafte me een paar contactlenzen aan en accepteerde mijn lengte niet langer. Ik at tegen de klippen op. Hele stokbroden verzadigd met mayonaise, emmers vol roomijs met ladingen slagroom, zoetigheid, hartigheid, wat at ik eigenlijk niet, tot overrijpe bananen aan toe.
Om niet tonnetje rond te worden meldde ik me als vrijwilligster aan bij de martelkamer. Daar zochten ze pijnbanktesters, een simpele manier om me uit te rekken.
Het heeft het gewenste effect gehad. Inmiddels leef ik op grote voet. Pesten doe ikzelf niet aan. Ik kijk niet neer op de kleintjes, heb een gloeiende hekel aan uit de hoogte doen. Dat laag bij de grondse gedoe is mij vreemd.
En het heeft zijn vruchten afgeworpen. Wie goed doet, goed ontmoet. Een heel volkje heeft zich om me heen gevormd. Ze maken wel wat herrie, met het timmeren van een behuizing rond me, maar ze bedoelen het goed. En klagen ze omdat ik maar door ga met groeien? Nee. Ze zetten gewoon een ladder tegen mijn voet op om de grootte van aangepaste woning te bepalen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten