Het is begonnen met kattenpis. De stank, ik kon er niet tegen, emmers met zeepsop waren nog niet toereikend om de penetrante geur weg te krijgen. Ik zag ze overal op straat rondlopen, die beesten, de staart omhoog en sproeien maar. Walgelijk. Ja, zij zijn de grote schuldigen. Door hun kom ik de drempel niet meer over. Ik weet het zeker.
Hoe langer ik binnen blijf, hoe groter de stap, de sprong... ik durf hem niet meer te wagen. Laf als ik ben, ik herken mezelf niet meer. Er vormt zich een muur tussen mij en de buitenwereld. Ik zie steeds meer beren buiten, nog maar te zwijgen van de muggen. Elke mug wordt door mijn gedachtegang omgebouwd tot olifant. Zelfs in alle mensen zie ik vijanden.
Het probleem ligt als een molensteen op mijn blaas. Ik dreig er zelf van leeg te lopen. Paniekzweet breekt me uit wanneer ik er alleen al aan denk. Belachelijk. Ik ben immers een stoere krijger, voorbestemd om door te leven in de harten van velen. In ieder geval, van hen die van me hielden.
Had ik maar een te hoog cholesterolgehalte, een maagzweer of werd ik door de mexicaansegriepexplosie getroffen, dat zou het nog te doen zijn. Dan kon ik nog met mezelf door één deur. En wèl naar buiten.
Maar nu?
Ik moet ik het maar als een moedig man accepteren. Het is mijn lot dat ik de geschiedenis inga als dé Indiaan met pleinvrees.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten