Daar ligt hij dan, de koffiepot in honderden kleine
scherfjes was hij voor mijn voeten op de plavuizen tegelvloer kapot gevallen. Onbruikbaar
geworden. Net nu ik vanavond zo'n
gigabehoefte heb aan troost, het liefst een pot vol. Wat nu te doen? In een
vlaag van verstandsverbijstering vergeet ik helemaal mijn claustrofobische
aanleg en duik de kelderkast in. Dat wil wat zeggen voor me hoor. Ik, die de
deur van de wc altijd open laat staan en liever mijn bips met kranten afveeg
als het pleepapier op is dan een nieuwe toiletrol uit de kelderkast te halen. Maar
voor koffie, zet ik mijn angsten opzij, voor troost, heb ik alles over.
Er moet hier ergens nog een reservepot staan. Hè verdorie,
waar zit dat lichtknopje nu? Op de tast vind ik de schakelaar. Nergens een pot
te bekennen, er staat alleen maar een voorraadje vlierbessenwijn. Ik pak er een
fles tussenuit en ontvlucht het benauwde hok.
Grootmoeders vlierbessenwijn. Ik gruwel ervan, maar mijn oma
is er dol op. Zou ik bij haar op bezoek gaan? Dan koop ik morgen wel een nieuwe
pot. Zonder verder veel tijd te verliezen bel ik haar op, om er zeker van te
zijn, dat haar koffie nog wel gezet kan worden. Ze zal verbaasd zijn van me te
horen, ik heb al jaren niet meer contact
met haar gehad. ik ga voor eerlijkheid, en met rode koontjes vertel ik haar wat
er gebeurd is.
"... en toen zag ik die vlierbessenwijn staan en dacht
gelijk aan u."
"Kindje kindje toch, je had je nek wel kunnen breken in
die kelder van je. Kan je er niet zo'n chatvenster in laten zetten, zodat je in
ieder geval iets open kan laten staan?"
Ja ja, die oma van me die gaat met haar tijd mee, alleen
weet ze nog niet goed waar de klepel hangt, met een -tot straks- hang ik op. Vul een mandje met oude
oliebollen en de fles wijn en ga wandelend door het bos naar mijn grootmoeder.
Lichte mistflarden maken het bos bijna sprookjesachtig, barrevoets snakkend naar een cafeïnestoot stap ik flink door. Gegrom doet me even
verstijven. Is dat een wolf die me aanloert alsof hij me wil verslinden? Ik
voel mijn maag omdraaien, er vormt zich een warboel in maar ik ben niet voor
één knoopsgat te vangen en voor de wolf
ook maar gehuil ten gehore kan brengen hang ik al in spagaat tussen twee bomen
op hem neer te kijken. Hij blijft me
maar aankijken en ik denk intussen koortsachtig na hou ik de wolf kan wegjagen
of afleiden. Hem de fles vlierbessenwijn tussen de oren mikken of met
oliebollen bekogelen. Maar richten is mijn zicht niet goed genoeg en mijn
brillenkoker heb ik thuis laten liggen.
Dan schiet me ineens wat te binnen. Ik bevind me in een bos,
heb een rood hoofddeksel op, ben met een mandje onderweg naar grootmoeder en er
zit een wolf naar me te kijken. Het lijkt verdacht veel op een sprookje en met
een kuchje schraap ik mijn keel en spreek de wolf vermanend aan.
"Hé domme wolf, vergeet je niet wat? Je moet mij een
langere route naar mijn oma, eh, grootmoeder wijzen en eerst haar opsmikkelen
alvorens je mij te grazen neemt. En daarna ben je zelf de pineut, je wordt
neergeschoten door een jager die vervolgens je buik opensnijdt, dat is je lot,
er is geen ontkomen aan."
De wolf begint zachtjes te piepen, kiest daarna eieren voor
zijn geld en vlucht met zijn staart tussen zijn benen. Opgelucht dat ik mijn klassiekers zo goed ken
vervolg ik mijn weg naar het huisje aan de rand van het bos.

Verrassend leuk. Anders dan ik aan het begin dacht dat het zou worden.
BeantwoordenVerwijderenIn het begin wist ik nog niet op welk plaatje ik uit zou komen Jolanda, vandaar
BeantwoordenVerwijderen